zondag 12 juli 2009

Verslaafd aan de geur van verse fixeer?

Als jongetje van een jaar of tien kroop ik met mijn vader in een nis onder de keldertrap. Met een af-drukraampje en wat schaaltjes van het Waterlooplein, maakten we contactprintjes van 6x9 negatieven. Het was een sensatie om het beeld op te zien komen in het badje met ontwikkelaar. Die magie ervaar ik al lang niet meer. Maar ik ben ervan overtuigd dat daar, in dat hokje onder de trap, met de geur van fixeer in mijn neus en schouder aan schouder met mijn vader, de liefde voor de fotografie zich voorgoed in mijn kinderziel heeft vastgezet.  

Amsterdam, 1960: moeder snijdt uien;
een van mijn eerste foto's met de Agfa Clack.
(foto Sietse Postma)
Het bleef dus niet bij dat afdrukraampje. Mijn vader timmerde een echte doka in de kelder en verdween zelf naar de achtergrond. Ik verruilde m'n Agfa Clack voor een kleinbeeldcamera, kocht een goedkope, Oost-Duitse vergroter en ik ging zelf films ontwikkelen. Fotografie werd mijn passie, de doka mijn toevluchtsoord.
Maar op zeker moment moest ik de kelder uit en de wereld in: werken, leren, uitgaan, nog meer werken, verder studeren, voor een gezin zorgen etc. De fotografie kwam in de verdrukking. Tot 1996: de kinderen waren groot en het werk eiste wat minder tijd en aandacht. Er kwam ruimte voor andere zaken. Ik schreef me in voor een basiscursus fotografie, stofte de vergroter af en improviseerde op zolder een donkere kamer. De fotografie was terug in mijn leven.

Inferieur
Niet lang daarna begon de digitale fotografie zich meer en meer te manifesteren. Aanvankelijk duur, omslachtig en inferieur aan dat wat we gewend waren. Gemakkelijk te negeren dus. Maar dat werd steeds moeilijker. De camera's werden betaalbaar, net als de randapparatuur en de kwaliteit ging met sprongen vooruit.

Ik leende voor een korte vakantie de digitale compact van mijn zoon en ontdekte al gauw dat je er meer mee kon dan vakantiekiekjes maken. Het digitale virus had me te pakken. Niet lang daarna kocht ik m'n eigen digitale compact; een paar jaar later gevolgd door een digitale spiegelreflex.

Voor het serieuze zwartwit werk houd ik echter ik vast aan film en bariet. Daar kan geen digitale camera of print aan tippen, denk ik. Maar nu lees ik steeds vaker enthousiaste verhalen over printers die prachtige, neutrale zwartwitprints uitspugen en over digitaal barietpapier dat niet onder doet voor het bariet uit de natte doka. Zou het waar zijn? Ik begin te twijfelen.

Diverse tinten zwart en grijs
De volgende stap op het digitale traject is de aanschaf van een mooie A3+-printer voorzien van een batterij aan inktcartrides met diverse tinten zwart en grijs. Ik aarzel om die stap te zetten. Ik vrees dat het een 'point of no return' is. Als die printer er eenmaal staat, kan de vergroter naar het grofvuil en na verloop van tijd verdwijnen ook de ontwikkeltanks in de vuilcontainer. De verduistering kan weg en het raam kan open: dag donkere kamer.

Het zou niets bijzonders zijn. De ene na de andere verstokte doka-werker kiest uiteindelijk voluit voor de schier onbegrensde mogelijkheden van de digitale fotografie. Wat weerhoudt me toch hen te volgen?

Berlijn, 2005: voor het eerst op pad met een digitale compact.
(foto Sietse Postma)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen