zondag 31 oktober 2010

Een jongeman kijkt nors in de lens

Op het perron hangt een poster van G-star met een opvallende zwart-wit foto. Er is niet veel meer te zien dan een nors in de lens kijkende jongeman. De achtergrond is vrijwel egaal grijs. De mode waarvoor reclame wordt gemaakt interesseert me niet. Toch trekt het beeld mijn aandacht en ik kijk wat langer. Dan zie ik dat links onderin de naam van de fotograaf staat: Anton Corbijn.
    Die toevoeging is opmerkelijk want het komt niet zo vaak voor dat reclamefoto's ‘gesigneerd’ zijn. Zulke foto’s moeten immers effectief zijn in het promoten en positioneren van een merk. Het ego van de fotograaf is daarbij van ondergeschikt belang. Bij Corbijn ligt dat anders. Hij is zelf een sterk merk. Zijn naam en faam geven het modemerk extra glans.
    Anton Corbijn (1955) is een beroemdheid in de wereld van de pop en daarbuiten. Hij is niet alleen al decennia lang de hoffotograaf van U2 maar heeft ook tal van andere 'celebreties' gefotografeerd. Zijn carrière begon in 1972. Met de camera van zijn vader maakte hij in de Oosterpoort in Groningen foto's van een optreden van de band Solution. Hij stuurde ze naar het blad Muziek Parade, die de foto's tot zijn verbazing publiceerde. Zo begon een indrukwekkende carrière als fotograaf, grafisch ontwerper, regisseur van videoclips en ontwerper van decors voor popconcerten. En ondanks zijn immense succes komt hij in documentaires en interviews nog steeds over als dezelfde aardige en bescheiden domineeszoon uit Strijen.

Icoon
Miles Davis
Corbijn heeft foto's gemaakt die nu al tot de iconen van de fotografiegeschiedenis gerekend worden. Zo kom je zijn zwart-wit portret van Miles Davis in menig overzicht tegen. Toch ben ik niet zo'n grote fan van Corbijn. Dat is een kwestie van smaak en zegt natuurlijk niks over de kwaliteit van zijn foto's. Die moet wel goed zijn. Hoe kun anders verklaren dat hij internationaal een van de succesvolste Nederlandse fotografen is. Kijk maar even op zijn site in de rubriek ‘works’ en je ziet dat ik niet overdrijf.
    Sinds een paar jaar maakt Corbijn ook speelfilms. De eerste was Control, een film over het korte, dramatische leven van Ian Curtis, de zanger van de Engelse band Joy Division. De film kreeg in 2007 verschillende prijzen bij het festival in Cannes. Geen slechte start dus. 
    Ik heb de film twee keer gezien. De eerste keer in de bioscoop. Ik was onder de indruk van de strakke zwart-wit beelden, die perfect aansluiten bij de deprimerende omgeving waarin Curtis opgroeit, zijn eerste baantje heeft, trouwt en na een kortstondige carrière als popartiest een einde aan zijn leven maakt. Later bekeek ik de film nog eens op video. De beelden en de muziek boeiden me nog steeds. Maar het verhaal en de manier waarop dit filmisch werd verteld, bleken toch wel wat magertjes. 

Mooie plaatjes
George Clooney in actie
Kort geleden zag ik de tweede speelfilm van Corbijn: The American. In een interview vertelt Corbijn dat hij persé een totaal andere film wilde maken dan Control. Uit alles wat hem aangeboden werd koos hij voor de verfilming van de roman A Very Private Gentleman van de Engelse schrijver Martin Booth. Het is inderdaad een heel wat anders geworden: een 'hardboiled' gangsterfilm, in prachtige kleuren gedraaid in een pittoresk bergdorp in Italië met oogverblindend mooie dames en George Clooney als introverte moordenaar.
    Net als in Control zijn de beelden perfect. Maar het voortreffelijke camerawerk kan niet verhullen dat het verhaal volkomen flut is. Mooie plaatjes, sterk acteerwerk, blote billen en borsten, een sensationele achtervolging, een innemende dorpspastoor en spattend bloed, het helpt allemaal geen zier. De film raakt geen enkele snaar. De plot is zelfs voor dit genre te onbeduidend en te ongeloofwaardig. De slotscène is ronduit tenenkrommend. The American is een irritante kitschfilm. En dat is geen kwestie van smaak. 

Ik hoop dat Corbijn de kans krijgt nog een derde speelfilm te maken. Maar dan wel met een goed scenario graag. Want het is een aardige man en een goeie fotograaf.
Parijs, mei 2010 (foto Sietse Postma)

donderdag 14 oktober 2010

De ware aard van het kapitalisme

Fotofestival Noorderlicht presenteert elk jaar een internationale keur aan documentaire fotografie. Dit jaar in Leeuwarden. In het Fries Museum ben ik uren zoet met het bekijken van de expositie Land, Country Life in the Urban Age. Deze tentoonstelling omvat tientallen series over uiteenlopende onderwerpen, gemaakt door fotografen uit alle delen van de wereld. Alle reportages hebben te maken met het leven op het platteland in een tijd van urbanisatie. Dus trekt er een hoop ellende aan me voorbij. Maar ik zie ook schoonheid. Want deze fotografen verstaan hun vak.
     Neem de serie Deadly Mist van Benoit Aquin uit 2005. Deze Canadese fotograaf maakte een serie over de gevolgen van het misdadige gebruik van pesticiden door de Amerikaanse bananen- en ananasproducenten Dole en Del Monte in Nicaragua. Ik zie foto's van straatarme, zieke mensen en zwaar gehandicapte kinderen. Prachtig gefotografeerd en gepresenteerd in klassiek zwartwit. De beelden raken me. Tenminste, zolang ze op mijn netvlies branden. Een paar minuten later ben ik ze al weer vergeten. Want ernaast hangt nog zo'n mooie serie. En daarnaast nog een. En nog een …
     Benoit Aquin legt de ware aard van het kapitalisme bloot: een dodelijke mix van winstbejag, arrogantie en onverschilligheid. En dat doet hij goed. Zijn foto's zijn veelzeggend en mooi. Dat laatste versterkt hun impact. De vraag is alleen of ze enig effect hebben. Als ik dit stukje niet geschreven zou hebben of als ik een andere serie als voorbeeld had gekozen, dan zou ik morgen in de supermarkt zonder nadenken een blikje ananas op sap van Del Monte in m'n karretje hebben gemikt. Zijn reportage zou ik allang weer vergeten zijn.

Uit de serie Deadly Mist van Benoit Aquin (2005)

Journalistiek
In nummer 7-2010 van P/f, dat gewijd is aan documentaire fotografie, signaleert hoofdredacteur Edie Peters in een artikel over Noorderlicht en Photo Breda dat er veel wordt geklaagd over de gebrekkige aandacht voor documentaire fotografie in de reguliere media, terwijl de ruimte in musea en festivals groter lijkt dan ooit. 'Festivals nemen een journalistieke plicht op zich,' stelt hij vast. Ik krijg niet de indruk dat hij dit een kwalijke ontwikkeling vindt.
     Ik denk daar anders over. Elke keer als ik maatschappijkritische documentaire fotografie tegenkom in een museum of galerie bekruipt me het gevoel dat er iets niet in de haak is. Eigenlijk vind ik het pervers om te jubelen over de schoonheid van foto's en tegelijkertijd immuun te blijven voor hun maatschappelijke relevantie. Het gaat bij deze foto's in de eerste plaats om de alarmerende inhoud, de schreeuw om aandacht, de oproep tot actie en niet om hun esthetische kwaliteit. Dat is een nuttige, toegevoegde waarde.
     Zulke foto's moeten gepubliceerd worden in kranten en tijdschriften of op billboards in winkelcentra. Vlakbij een supermarkt bijvoorbeeld. Fotofestivals kunnen geen journalistieke functie hebben. Die zijn er voor het genoegen van liefhebbers van fotografie en tot meerdere glorie van fotografen en curatoren.

Goede bedoelingen
In een toelichting bij de expositie in het Fries Museum lees ik: 'Terwijl de jongeren naar de stad trekken - vaak veroordeeld tot een leven in sloppenwijken - blijven de ouderen onbegrepen achter, op land dat generaties lang is bebouwd, bewoond en bejaagd, en dat tradities en verhalen heeft gevoed. Ver van ons bed? Zeker niet. We hebben er met ons consumptiegedrag en onze culturele expansie mede de hand in.'
     Ik twijfel niet aan de oprechtheid van Benoit Aquin en ook niet aan de goede bedoelingen van de curatoren van Noorderlicht. Maar ik vrees dat exposities als Land, Country Life in the Urban Age geen enkele invloed hebben op 'ons consumptiegedrag en onze culturele expansie'. Laat staan dat Del Monte en Dole naar aanleiding deze expositie tot inkeer komen en de slachtoffers van hun wanbeleid schadeloos stellen. Daar is meer voor nodig dan mooi ingelijste foto's in een museale omgeving.

foto Sietse Postma (Winterthur, 2009)

woensdag 29 september 2010

Jour de fête

Dit voorjaar verbleef ik een maand in Parijs. In die tijd verkende ik, gewapend met een stapeltje tickets voor de metro en een camera, vrijwel dagelijks de stad. Op een van de laatste dagen van mijn verblijf raakte ik verzeild op het Ile St.-Louis. In de kleine straatjes wemelt het daar van de wat chiquere toeristenwinkeltjes en galerietjes. Maar daarvoor was ik niet in Parijs. Ook niet voor de hoosbui die even later losbarstte, trouwens. Onder een dicht bebladerde plataan en een iel parapluutje wachtte ik tot de bui over was.
   Na een minuut of tien kon ik verder. Ik ging naar de westelijke punt van het eiland en belandde op een stil pleintje met een mooi zicht op de rivier. Het pleintje zelf was met de druipende bomen, kitscherige staatlantaarns, glimmende keien en groene bankjes Parijs 'over the top'. Maak daar maar eens een foto die uitstijgt boven de romantische clichébeelden waarmee je in winkels en galeries in Parijs wordt doodgegooid; vooral nostalgisch zwart-wit is erg populair. Ik probeerde toch maar wat - zo langzamerhand begin ik m'n analoge zuinigheid een beetje kwijt te raken en druk wat makkelijker op de ontspanknop van m'n digitale reflex – want de locatie had te veel potentie om zomaar aan voorbij te gaan. 'Deleten' kon altijd nog.

Talent
Vorige week ging de expositie 'Beeldverhalen' van Johan van der Keuken in het Fotografiemuseum Amsterdam van start. Van de Keuken (1938-2001) was een vermaard fotograaf en cineast. En hij had wel wat met Parijs. Reden genoeg om een kijkje te gaan nemen op de opening.
   Johan van der Keuken publiceerde zijn eerste fotoboek toen hij zeventien was. Het heette 'Wij zijn zeventien'. De foto's geven een indringend beeld van een generatie èn van het talent van Van der Keuken. Hij maakte niet alleen uitstekende portretten maar bleek ook een scherp gevoel voor de tijdgeest te hebben. Ongelofelijk voor een jongen van zeventien.
   Een jaar later vertrok Van der Keuken naar Parijs om te studeren aan het Instituut voor Gevorderde Cinematografische Studies. Vanaf die tijd is hij fotograaf en filmer. En dat blijft hij zijn hele leven. Voor Van de Keuken zijn het geen gescheiden werelden. Foam-curator Marcel Feil wees hier in zijn openingswoord ook op: Als filmer had Van de Keuken een feilloos gevoel voor beeld en als fotograaf experimenteerde hij graag met beeldreeksen en sequenties. De samenstellers van de expositie, Willem Zoetendaal en Noshka van de Lely, hebben ervoor gekozen juist dit aspect van het oeuvre van Van der Keuken centraal te stellen.

Filmisch

Het is boeiend om te zien hoe de fotograaf door beelden te combineren of te herhalen het filmische element 'tijd' toevoegt aan stilstaande beelden. Dat gebeurt zowel in het klein, bijvoorbeeld met een paar zwart-wit foto's van een man, een jongen en een bal, als in het groot. Aan het eind van de expositie hangt een prachtig gepresenteerd mozaïek van grote kleurenfoto van passanten. Maar dat is slechts het toetje. Het hoofdmaal krijgt de bezoeker direct opgediend bij binnenkomst in de 'erezaal' van het museum.
    Hier staat een van de bekendste foto's van Johan van der Keuken centraal. Het is een opname van een man en een vrouw die in Parijs op straat dansen tijdens de viering van de veertiende juli. De foto is voor het eerst gepubliceerd in het boek 'Paris mortel', dat in 1963 verscheen. Het was geen 'lucky shot' want de fotograaf heeft in de loop van de middags en avond meer dan dertig foto's gemaakt van dit straatfeest - dat is best veel voor een fotograaf die zuinig moest zijn met zijn filmpjes! - Van deze reeks was tot nu toe alleen die ene foto bekend. In het Foam zijn nu ook fraaie afdrukken van die andere 32 opnamen te zien.

Quatorze Juillet, foto Johan van der Keuken (1958)

Het is fascinerend om over de schouder van de fotograaf mee te kijken. Je ervaart hoe hij een geschikt standpunt zoekt (vanaf het muziekpodium of op straat tussen de mensen), waar zijn aandacht naar uitgaat en de momenten die hij kiest om af te drukken. Het is ook mooi om te zien hoe het beeld dat Van der Keuken uiteindelijk selecteerde voor zijn boek, met kop en schouders boven de andere foto's uitsteekt. Dat is geen geluk maar het resultaat van empathie, vasthoudendheid, concentratie.
    In de toelichting lees ik dat Van der Keuken deze serie op de veertiende juli 1958 gemaakt heeft op het Ile de St.-Louis. Ik kijk nog eens goed naar de beelden en herken nu het verregende pleintje van een paar maanden geleden. Ik rommelde daar wat met m'n digitale camera. Van der Keuken schreef er geschiedenis met een prachtige, veelzeggende zwart-witfoto die de tand des tijds moeiteloos heeft doorstaan. Niks nostalgie of kitsch maar een tijdloos en vitaal beeld van mensen die genieten van het leven en van elkaar. Om jaloers op te zijn.

Ile St.-Louis, foto Sietse Postma (mei 2010)

maandag 30 augustus 2010

Schoonheid, fotografie en kunstgebitten

Onlangs ging in het Foam een expositie van Alexander Gronsky van start. Deze in 1980 in Letland geboren fotograaf woont tegenwoordig in Moskou. Hoewel hij nog maar betrekkelijk kort als fotograaf actief is, heeft hij al een reeks internationale prijzen in de wacht gesleept. Dit jaar kwam daar de Foam Paul Huf Award bij. Vandaar deze expositie. Hij kreeg de prijs voor de foto's die hij de afgelopen drie jaar maakte van het Russische (stads)landschap.

Het openingswoord werd uitgesproken door Hubert Smeets, historicus en oud-correspondent voor NRC-Handelsblad in de Sojvet-Unie en Rusland. Smeets had een vlot en geestig verhaal, doorspekt met Russische kreten. Hij had alleen de pech dat de foto waar hij zijn betoog aan op had gehangen, geen deel uitmaakt van de expositie. Hij loste dat op door wat printjes van de desbetreffende foto uit te delen.

foto Alexander Gronsky, uit de serie Less than one
 Dat Smeets juist voor deze foto uit de serie Less than one had gekozen, is natuurlijk niet toevallig. De desolate omgeving en de tekst op het armoedige gebouw, die Smeets vertaalde met 'kunstgebittenbedrijf', waren voor hem aanleiding een betoog te houden over de overgangsperiode waarin Rusland zich na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie nog steeds bevindt. Volgens Smeets was Gronsky als betrekkelijke buitenstaander de aangewezen fotograaf om te laten zien hoe die Sojvet-periode ook nu nog een stempel zet op het leven in het huidige Rusland.

Hubert Smeets plaatste de foto's van Gronsky in een sociaal-historische context. Als historicus, journalist en Rusland-kenner is dat zijn goed recht. Maar volgens mij sloeg hij daarmee de plank volledig mis. Alexander Gronsky is geen documentaire fotograaf, niet iemand die door middel van foto's zijn visie geeft op het moderne Rusland en de problematische relatie met het Sovjet-verleden. De prachtige foto's van Gronsky zijn niet registrerend maar evocatief.

Doods en verlaten
In het Foam is werk te zien uit twee series: Less than one en The edge. De eerste bestaat uit foto's gemaakt in gebieden waar de bevolkingsdichtheid minder dan één persoon per vierkante kilometer is. Op de foto's komen dan ook nauwelijks mensen voor, zelfs niet in de stedelijke gebieden waar Gronsky fotografeerde. De betonnen flatgebouwen doen net zo doods en verlaten aan als de besneeuwde landschappen en havens waar het leven stil lijkt te staan. Hier en daar zijn wat nietige figuurtjes te zien, die de immense leegte die hen omringt alleen maar nog indringender maken.

Voor de serie Less than one reisde Gronsky duizenden kilometers door Rusland. In een interview in Foam Magazine #20 vertelt Gronsky dat hij eens drie dagen onder weg was geweest naar een plaats in het oosten van Rusland om vervolgens thuis te komen met een foto van een besneeuwde weg. Daarop besloot hij zich voor zijn volgende project te concentreren op een wat gemakkelijker te bereiken regio die even gewoon en saai is, namelijk de buitenwijken van Moskou.

Dat volgende project werd The edge. Alle foto's in deze serie zijn gemaakt in de sneeuw en bij een bedekte hemel. Grote delen van de beelden zijn zo wit als het papier waarop de foto's zijn geprint. Het zijn zorgvuldig gecomponeerde constructies van vlakken en ritmes. Troosteloze betonnen flatgebouwen zijn getransformeerd tot ijle structuren. De sneeuwwitte wereld is zorgvuldig gedecoreerd met mensjes en dieren.

Alexander Gronsky laat met dit werk zien dat fotografie een medium is waarmee veel meer kan dan een sociale realiteit documenteren en analyseren. Foto's kunnen het leven lichter maken. Schoonheid als troost voor alledaagse lelijkheid en existentiële leegte.

foto Alexander Gronsky, uit de serie The edge


zondag 7 februari 2010

'Een portret is geen foto'

In zijn dagelijkse column in NRC Handelsblad beschreef Frits Abrahams onlangs hoe hij werd geportretteerd door de Amstelveense schilder Toon de Haas. Na anderhalf uur zitten, schilderen en kletsen was het schilderij af. "Een historisch moment," schreef Abrahams. "Voor het eerst van mijn leven zag ik mijn geschilderde kop. (…) Dat hoofd had iets bekends, jawel, maar wás ik het ook? Ik merkte dat ik dat helemaal niet kon beoordelen. Een portret is geen foto, het is een visie op iemand. Dit was zijn visie."

De manier waarop Abrahams onderscheid maakt tussen een (geschilderd) portret en een foto, intrigeerde me. Dat een schilder vandaag de dag bij het maken van een portret niet rechttoe rechtaan naar een puur realistische afbeelding streeft, lijkt me evident. De schilder zet de werkelijkheid naar zijn hand. Hij overdrijft trekken en vormen, past kleuren aan en laat weg wat in zijn ogen niet relevant is. Het resultaat is een subjectieve, schilderkunstige interpretatie van een gezicht, en daarmee van een persoon, van een karakter.

Wat dat betreft heeft de portretfotograaf het, als gevangene van de zichtbare werkelijkheid, heel wat moeilijker. Tenzij hij een greep doet in de gereedschapskist van Photoshop en digitaal gaat 'schilderen' natuurlijk. Maar dat je ook met pure fotografie een visie kunt geven en zichtbaar kunt maken wat achter de menselijke façade schuilgaat, laat Koos Breukel zien in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bij de expositie Voor het oog van Job (verlengd t/m 2 mei).

Volendam
In een kleine zaal boven in het museum staan tussen de hanenbalken 24 schildersezels met grote zwartwitfoto's. Het zijn portretten van niet zo jonge mannen en vrouwen. Vaak zijn het echtparen maar er zijn ook foto's bij van een man of vrouw alleen. Al deze mensen hebben met elkaar gemeen dat ze in Volendam wonen en een kind hebben verloren. Een aantal van hen verloor een zoon of dochter bij de cafébrand in de nieuwjaarsnacht van 2001. Andere kinderen verongelukten of stierven als gevolg van een ziekte. Het kerkhof bij de St.-Vincentiuskerk in Volendam heeft verschillende vakken met alleen kindergraven.

Journalist Pieter van den Blink zocht de ouders van deze gestorven kinderen op. Hun aangrijpende verhalen bundelde hij in het boek Voor het oog van Job (uitgeverij Augustus, 2009). Het boek begint met foto's van de geïnterviewde ouders, gemaakt door Koos Breukel. Dezelfde foto's zijn nu op groot formaat in het museum te zien (en inmiddels ook door het museum aangekocht). Bij elke foto ligt een exemplaar van het boek, opengeslagen bij de tekst van degenen die op de foto staan.

Het zijn indringende portretten. De gezichten staan strak. Zonder pose of theater kijken de vaders en moeders me aan, enkelen hebben hun blik gericht op iets buiten het kader. Hier en daar rust een hand op de schouder of arm van een partner. De gezichten zijn haarscherp. Geen rimpel, groef of lijn kan me ontgaan. De meeste ouders zijn voor een donkere achtergrond gefotografeerd. Een paar foto's zijn bij de mensen thuis gemaakt. Het zijn stijlvolle, ingetogen foto's, sober gecomponeerd en belicht. Stuk voor stuk aangrijpende beelden. Ze getuigen van verlies en verdriet maar soms ook van kracht.

foto Koos Breukel, Voor het oog van Job


Autonome beelden
Zou ik deze emoties ook zo expliciet herkend hebben zonder kennis van de verhalen achter de foto's? Kunnen beelden net zo veel zeggen als duizend woorden? Ja en nee. De foto's van Koos Breukel zijn sterke, autonome beelden over het thema verdriet. De verhalen die Pieter van den Blink uit de mond van de getroffen ouders noteerde, vullen dit thema verder in en maken het concreet en persoonlijk. Dat beïnvloedt dan weer de manier waarop ik naar de foto's kijk. Het universele wordt persoonlijk en het persoonlijke wordt universeel.
In tegenstelling tot het portret dat schilder Toon de Haas maakte van Frits Abrahams, laten de portretten van deze Volendamse ouders niets te raden over. Bep Binken, Klaas en Annie Mossel, Jaap en Anja Veerman en alle anderen zullen zichzelf moeiteloos herkennen. Maar er is meer. Elke aandachtige kijker zal, ook zonder de bijbehorende teksten te lezen, iets ervaren van het verdriet dat deze mensen met zich meedragen. Ondanks het onvermijdelijke realisme van de foto's is zichtbaar, en daardoor ook voelbaar, wat eigenlijk niet te zien is. Dat is zo dankzij de visie van Koos Breukel.