dinsdag 29 maart 2011

Met of zonder Amsterdammers

Het zaaltje in Fotomuseum Amsterdam (FOAM) is afgeladen. Ik zoek een veilige plek dicht bij de uitgang. In de verte stelt de wethouder van cultuur van Amsterdam, Carolien Gehrels, zich op achter de microfoon. Na een paar zinnen stokt haar praatje. De exposant, Dana Lixenberg, laat merken dat de wethouder slecht geïnformeerd is. Gehrels lost het soepeltjes op en nodigt Lixenberg uit dan zelf maar te vertellen hoe haar serie 'Set Amsterdam' tot stand is gekomen.
     De fotografe legt het uit maar vergeet de microfoon. Wat volgt is een onderonsje tussen Lixenberg en Gehrels. Alleen te verstaan door de mensen die vooraan staan. Geeft niks. We zijn hier niet voor het verhaal en eigenlijk ook niet voor de foto's. Met een paar obligate zinnen sluit de wethouder af. Beschaafd applaus. Nog even wat bedankjes en grappen. Dan is er drank en kan het netwerken beginnen.
     Ik ben niet zo'n party-tijger en ook niet erg thuis in de wereld van sterren en andere belangrijke mensen. Toch herken ik een paar acteurs en aanverwante types. Dat is niet zo verwonderlijk want de serie 'Set Amsterdam' heeft Lixenberg gemaakt naar aanleiding van de tv-serie 'Adam - E.V.A. (Amsterdam en vele anderen)' van de VPRO. Aanvankelijk zou ze alleen portretten maken van de acteurs. Maar de plekken waar de serie werd opgenomen, intrigeerden haar dermate, dat ze besloot daar een afzonderlijke serie van te maken. 

foto Dana Lixenberg
Event
Dana Lixenberg is een Nederlandse fotograaf die al jaren succes heeft in New York; Adam en E.V.A. is een populaire tv-serie van een omroep waarmee je als creatieve Amsterdammer voor de dag kunt komen; fotografie is trendy en het FOAM is 'cool'. Voeg daar nog wat geroutineerde PR aan toe en je hebt een 'event'. Dat wil zeggen: een massaal bezochte opening en grote stukken in dag- en weekbladen; Vrij Nederland pakte bijvoorbeeld uit met een fotodocument van acht pagina's.
     Een paar weken geleden ontving ik de uitnodiging voor deze expositie. Het zinnetje 'Kenmerkend voor de foto's (van Amsterdam) is de afwezigheid van mensen' maakte me nieuwsgierig. Ik houd namelijk erg van foto's zonder mensen. Zelf wacht ik ook meestal met het maken van een foto tot iedereen net kader heeft verlaten. Deze expositie wilde ik dus niet missen.
 
Registraties
Voordat de officiële opening plaatsvindt en het nog rustig is in het museum, maak ik een rondje langs de tot billboard-formaat opgeblazen kleurenfoto's. Het licht valt zoals het moet vallen. Alles staat op z'n plek. De scherpte is meedogenloos. De beelden laten niets te raden over. En inderdaad: geen mens te zien. Ik zie echter geen 'sporen van menselijke activiteit die een indicatie vormen van iemands persoonlijkheid en levenswijze', zoals de uitnodiging ook beloofde.
     Wat ik wel zie zijn cleane registraties van smakeloos ingerichte rouwkamers, de kantine van een sportclub met meubilair uit de kringloopwinkel, de ongezellige keukentafel van de familie Azim, een Jordaan-interieur vol poppen en prullen, de kamer van een budgethotel met volgekladde wanden … Het is wat je ziet. Niet meer en niet minder. Een en al cliché en ongelooflijk saai.

Nostalgie
Vlakbij het FOAM is nog een expositie met foto's over Amsterdam. Het Stadsarchief heeft 150 foto's gekozen uit de 250.000 beelden van Amsterdam die de collectie van het Maria Austria Instituut rijk is. Het zijn foto's uit de periode 1935 - 2005, gemaakt door bekende fotografen als Eva Besnyö, Carel Blazer, Paul Huf, Philip Mechanicus, Sem Presser en Kees Scherer.
     Heel veel nostalgisch zwartwit en heel veel gewone Amsterdammers. Plaatjes waar menige wat oudere Mokumer bij weg zal dromen. Ach, zo kneuterig hoeft het van mij nou ook weer niet. Maar in elk geval heel wat minder saai dan de pretentieuze prenten van Dana Lixenberg in het FOAM. 

foto Sietse Postma

dinsdag 14 december 2010

Verleden tijd, net als de postbode


Om een beetje 'bij' te blijven kijk ik geregeld op de site van de NOS. Het nieuws wordt daar vaak geïllustreerd met foto's die van flickr.com zijn geplukt. Dat gebeurde laatst ook met het bericht over de vrijlating van een 'internetvandaal' uit Hoogezand-Sappemeer. Daarbij stond een foto van Davide Restivo uit Zwitserland. Restivo is geen beroepsfotograaf. Hij verdient zijn brood in de ICT. Dat de NOS een foto van hem gebruikt, levert hem waarschijnlijk een paar tientjes op. Dat is leuk meegenomen maar een nieuwe lens kan hij er niet van kopen.

website NOS, maandag 13 december
Het is begrijpelijk dat de NOS gebruik maakt van zulke foto's. Ze zijn makkelijk te vinden, direct beschikbaar en technisch ok. De redactie had ook een foto kunnen zoeken in de beeldbank van een Nederlandse fotobureau als Hollandse Hoogte. Ik vermoed dat tussen de acht miljoen foto's die dit bureau in zijn digitale archief heeft, wel een interessanter beeld te vinden is dan de foto die Restivo maakte van een paar handen boven het toetsenbord van een laptop.

Hollandse Hoogte, dat dit jaar zijn 25-jarig jubileum viert, betrekt zijn foto's van professionele fotografen. En niet van de minste. Ondanks dat het bureau zijn prijzen de laatste jaren noodgedwongen drastisch heeft verlaagd, zal het qua prijs nooit met een Zwitserse amateur kunnen concurreren.

Broodroof
In fotobladen en op forums is de concurrentie tussen professionele fotografen en amateurs een hot-item. Sommige professionals hebben het zelfs over broodroof en verlangen van hun beroepsvereniging dat zij paal en perk stellen aan de activiteiten van de amateur-fotografen. Ik vind dat onzin.

Digitale fotografie en internet hebben de fotografie gedemocratiseerd. Voor weinig geld kun je kwalitatief goede foto's maken en deze via internet simpel en doeltreffend aanbieden en verspreiden. Het is logisch dat commerciële partijen daar gebruik van maken. Er blijkt veel behoefte aan goedkoop beeldmateriaal. Ik snap óók wel dat professionele fotografen zich kapot ergeren aan de visuele 'bagger' die als gevolg hiervan van beeldschermen en pagina's afdruipt. Maar deze 'bagger' voorziet blijkbaar in een behoefte. Als dat niet zo was, renden de opdrachtgevers wel weer naar de vakman om voor (veel) meer geld 'echte' foto's te laten maken.

Professionals die amateurs beschuldigen van broodroof steken hun kop in het zand. De professionele fotograaf kan zich alleen onderscheiden van de amateur door het leveren van meer kwaliteit. Als afnemers en gebruikers maling hebben aan kwaliteit, zullen ze er ook niet voor willen betalen. Het is zinloos iets aan te (blijven) bieden waar geen vraag naar is. Dat deel van de markt is verloren terrein. Jammer, maar niets aan te doen. Verleden tijd, net als de postbode.

De professional zal zich moeten richten op een markt waar kwaliteit nog wel een rol speelt. En daar gaat de strijd dus niet tussen beroeps en amateurs, maar tussen professionals onderling. Daar tellen vakmanschap, originaliteit, creativiteit en ondernemerschap. Die strijd is keihard, niet in de laatste plaats door de grote instroom van goed opgeleide, ambitieuze jonge fotografen. Amateurs hebben hier geen schijn van kans. Terecht.

foto Sietse Postma (Arles, 2010)


vrijdag 3 december 2010

Fotografie was nog nooit zo goedkoop

Dankzij de digitale revolutie hoeft fotografie vandaag de dag geen dure bezigheid te zijn. Eigenlijk heb je niet veel meer nodig dan een digitaal cameraatje, een computer met een eenvoudig beeldbewerkingsprogramma en een internetverbinding. Niets staat je dan nog in de weg om de mooiste foto's te maken en ze via het net aan de hele wereld te laten zien. Fotografie is nog nooit zo makkelijk geweest. En zo goedkoop!
     Het gevolg laat zich raden: iedereen fotografeert zich suf. Een niet onaanzienlijk deel van al die foto's die worden gemaakt, komt op internet terecht. Op flickr.com worden onder het motto 'Share your photo's. Watch the world' elke minuut vijf- à zesduizend foto's en video's gepost. Met zo'n immens reservoir aan beeldmateriaal heb je zelfs geen camera meer nodig. Elke foto die je kunt verzinnen, vind je op internet. Klik! Fotograferen met de muis.

Foto's van de straat
Joachim Schmid,
Bilder von der Strasse
Het is in kunstkringen al een tijdje populair om met 'gevonden' beeldmateriaal te werken. De Duitse fotograaf Joachim Schmid is er wereldberoemd mee geworden. Zijn project Bilder von der Strasse loopt al sinds 1982. In Nederland publiceert KesselsKramer sinds 2001 het magazine Useful Photography. Het als boekwerk uitgevoerde periodiek staat vol zorgvuldig geselecteerde en gepresenteerde 'gevonden' foto's. Aanvankelijk werd er voor dit soort publicaties driftig geknipt uit kranten, tijdschriften, catalogi etc. Tegenwoordig is internet de onuitputtelijke bron.
     Wie als kunstenaar aan de slag gaat met 'gevonden' materiaal, kan het verwijt krijgen plagiaat te plegen of niet origineel te zijn. Dat overkwam ook Dada-kunstenaar Marcel Duchamp toen hij in 1917 (!) een porseleinen urinoir inleverde voor een expositie. De selectiecommissie oordeelde dat de pisbak, ondanks de signatuur 'R. Mutt 1917' en het feit dat het ding op zijn kant lag, plagiaat was. Het was gewoon een 'plain piece of plumbing', vond men.
     Duchamp antwoordde: "Whether Mr. Mutt with his own hands made the fountain or not, has no importance. He CHOOSE it. He took an ordinary article of life, placed it so that its useful significance disappeared under the new title and point of view – created a new thought for that object. As for plumbing, that is absurd." Voor Marcel Duchamp heeft het ambachtelijke in de kunst afgedaan. Voor hem gaat het in de kunst niet langer om het maken maar om het kiezen en om het creëren van een nieuwe visie. Het accent verschuift van materieel naar conceptueel.

Geniaal
Het is grappig om te zien dat zich bijna honderd jaar later in de fotografie iets vergelijkbaars voordoet. Sommige fotografen maken zelf geen foto's meer. Zij maken dankbaar gebruik van de mega-grote beeldbank die dankzij een anonieme massa kiekjesmakers en broodfotografen op internet beschikbaar is. Hieruit kiezen zij de foto's die zij nodig hebben voor het verbeelden van hun idee, van het concept. Dat die foto's technisch en/of esthetisch doorgaans verre van perfect zijn, is geen probleem. Het gaat om het concept, niet om de foto.
     Het is een nieuwe vorm van fotokunst, die om een andere benadering vraagt dan de fotografie die we doorgaans in (foto)musea tegenkomen. Tot nu toe was de visuele kwaliteit van het beeld minstens zo belangrijk als de achterliggende thematiek. Gebruik van licht en kleur, kader en compositie, de kwaliteit van de afdruk en de presentatie, allemaal factoren die bepalend waren voor de impact van en de waardering voor de foto.
     In de nieuwe fotokunst is esthetiek van ondergeschikt belang. We moeten het doen met lelijke plaatjes als illustratie van een concept. En nu maar hopen dat het concept geniaal is. Dan valt er tenminste nog iets te genieten.

zondag 31 oktober 2010

Een jongeman kijkt nors in de lens

Op het perron hangt een poster van G-star met een opvallende zwart-wit foto. Er is niet veel meer te zien dan een nors in de lens kijkende jongeman. De achtergrond is vrijwel egaal grijs. De mode waarvoor reclame wordt gemaakt interesseert me niet. Toch trekt het beeld mijn aandacht en ik kijk wat langer. Dan zie ik dat links onderin de naam van de fotograaf staat: Anton Corbijn.
    Die toevoeging is opmerkelijk want het komt niet zo vaak voor dat reclamefoto's ‘gesigneerd’ zijn. Zulke foto’s moeten immers effectief zijn in het promoten en positioneren van een merk. Het ego van de fotograaf is daarbij van ondergeschikt belang. Bij Corbijn ligt dat anders. Hij is zelf een sterk merk. Zijn naam en faam geven het modemerk extra glans.
    Anton Corbijn (1955) is een beroemdheid in de wereld van de pop en daarbuiten. Hij is niet alleen al decennia lang de hoffotograaf van U2 maar heeft ook tal van andere 'celebreties' gefotografeerd. Zijn carrière begon in 1972. Met de camera van zijn vader maakte hij in de Oosterpoort in Groningen foto's van een optreden van de band Solution. Hij stuurde ze naar het blad Muziek Parade, die de foto's tot zijn verbazing publiceerde. Zo begon een indrukwekkende carrière als fotograaf, grafisch ontwerper, regisseur van videoclips en ontwerper van decors voor popconcerten. En ondanks zijn immense succes komt hij in documentaires en interviews nog steeds over als dezelfde aardige en bescheiden domineeszoon uit Strijen.

Icoon
Miles Davis
Corbijn heeft foto's gemaakt die nu al tot de iconen van de fotografiegeschiedenis gerekend worden. Zo kom je zijn zwart-wit portret van Miles Davis in menig overzicht tegen. Toch ben ik niet zo'n grote fan van Corbijn. Dat is een kwestie van smaak en zegt natuurlijk niks over de kwaliteit van zijn foto's. Die moet wel goed zijn. Hoe kun anders verklaren dat hij internationaal een van de succesvolste Nederlandse fotografen is. Kijk maar even op zijn site in de rubriek ‘works’ en je ziet dat ik niet overdrijf.
    Sinds een paar jaar maakt Corbijn ook speelfilms. De eerste was Control, een film over het korte, dramatische leven van Ian Curtis, de zanger van de Engelse band Joy Division. De film kreeg in 2007 verschillende prijzen bij het festival in Cannes. Geen slechte start dus. 
    Ik heb de film twee keer gezien. De eerste keer in de bioscoop. Ik was onder de indruk van de strakke zwart-wit beelden, die perfect aansluiten bij de deprimerende omgeving waarin Curtis opgroeit, zijn eerste baantje heeft, trouwt en na een kortstondige carrière als popartiest een einde aan zijn leven maakt. Later bekeek ik de film nog eens op video. De beelden en de muziek boeiden me nog steeds. Maar het verhaal en de manier waarop dit filmisch werd verteld, bleken toch wel wat magertjes. 

Mooie plaatjes
George Clooney in actie
Kort geleden zag ik de tweede speelfilm van Corbijn: The American. In een interview vertelt Corbijn dat hij persé een totaal andere film wilde maken dan Control. Uit alles wat hem aangeboden werd koos hij voor de verfilming van de roman A Very Private Gentleman van de Engelse schrijver Martin Booth. Het is inderdaad een heel wat anders geworden: een 'hardboiled' gangsterfilm, in prachtige kleuren gedraaid in een pittoresk bergdorp in Italië met oogverblindend mooie dames en George Clooney als introverte moordenaar.
    Net als in Control zijn de beelden perfect. Maar het voortreffelijke camerawerk kan niet verhullen dat het verhaal volkomen flut is. Mooie plaatjes, sterk acteerwerk, blote billen en borsten, een sensationele achtervolging, een innemende dorpspastoor en spattend bloed, het helpt allemaal geen zier. De film raakt geen enkele snaar. De plot is zelfs voor dit genre te onbeduidend en te ongeloofwaardig. De slotscène is ronduit tenenkrommend. The American is een irritante kitschfilm. En dat is geen kwestie van smaak. 

Ik hoop dat Corbijn de kans krijgt nog een derde speelfilm te maken. Maar dan wel met een goed scenario graag. Want het is een aardige man en een goeie fotograaf.
Parijs, mei 2010 (foto Sietse Postma)

donderdag 14 oktober 2010

De ware aard van het kapitalisme

Fotofestival Noorderlicht presenteert elk jaar een internationale keur aan documentaire fotografie. Dit jaar in Leeuwarden. In het Fries Museum ben ik uren zoet met het bekijken van de expositie Land, Country Life in the Urban Age. Deze tentoonstelling omvat tientallen series over uiteenlopende onderwerpen, gemaakt door fotografen uit alle delen van de wereld. Alle reportages hebben te maken met het leven op het platteland in een tijd van urbanisatie. Dus trekt er een hoop ellende aan me voorbij. Maar ik zie ook schoonheid. Want deze fotografen verstaan hun vak.
     Neem de serie Deadly Mist van Benoit Aquin uit 2005. Deze Canadese fotograaf maakte een serie over de gevolgen van het misdadige gebruik van pesticiden door de Amerikaanse bananen- en ananasproducenten Dole en Del Monte in Nicaragua. Ik zie foto's van straatarme, zieke mensen en zwaar gehandicapte kinderen. Prachtig gefotografeerd en gepresenteerd in klassiek zwartwit. De beelden raken me. Tenminste, zolang ze op mijn netvlies branden. Een paar minuten later ben ik ze al weer vergeten. Want ernaast hangt nog zo'n mooie serie. En daarnaast nog een. En nog een …
     Benoit Aquin legt de ware aard van het kapitalisme bloot: een dodelijke mix van winstbejag, arrogantie en onverschilligheid. En dat doet hij goed. Zijn foto's zijn veelzeggend en mooi. Dat laatste versterkt hun impact. De vraag is alleen of ze enig effect hebben. Als ik dit stukje niet geschreven zou hebben of als ik een andere serie als voorbeeld had gekozen, dan zou ik morgen in de supermarkt zonder nadenken een blikje ananas op sap van Del Monte in m'n karretje hebben gemikt. Zijn reportage zou ik allang weer vergeten zijn.

Uit de serie Deadly Mist van Benoit Aquin (2005)

Journalistiek
In nummer 7-2010 van P/f, dat gewijd is aan documentaire fotografie, signaleert hoofdredacteur Edie Peters in een artikel over Noorderlicht en Photo Breda dat er veel wordt geklaagd over de gebrekkige aandacht voor documentaire fotografie in de reguliere media, terwijl de ruimte in musea en festivals groter lijkt dan ooit. 'Festivals nemen een journalistieke plicht op zich,' stelt hij vast. Ik krijg niet de indruk dat hij dit een kwalijke ontwikkeling vindt.
     Ik denk daar anders over. Elke keer als ik maatschappijkritische documentaire fotografie tegenkom in een museum of galerie bekruipt me het gevoel dat er iets niet in de haak is. Eigenlijk vind ik het pervers om te jubelen over de schoonheid van foto's en tegelijkertijd immuun te blijven voor hun maatschappelijke relevantie. Het gaat bij deze foto's in de eerste plaats om de alarmerende inhoud, de schreeuw om aandacht, de oproep tot actie en niet om hun esthetische kwaliteit. Dat is een nuttige, toegevoegde waarde.
     Zulke foto's moeten gepubliceerd worden in kranten en tijdschriften of op billboards in winkelcentra. Vlakbij een supermarkt bijvoorbeeld. Fotofestivals kunnen geen journalistieke functie hebben. Die zijn er voor het genoegen van liefhebbers van fotografie en tot meerdere glorie van fotografen en curatoren.

Goede bedoelingen
In een toelichting bij de expositie in het Fries Museum lees ik: 'Terwijl de jongeren naar de stad trekken - vaak veroordeeld tot een leven in sloppenwijken - blijven de ouderen onbegrepen achter, op land dat generaties lang is bebouwd, bewoond en bejaagd, en dat tradities en verhalen heeft gevoed. Ver van ons bed? Zeker niet. We hebben er met ons consumptiegedrag en onze culturele expansie mede de hand in.'
     Ik twijfel niet aan de oprechtheid van Benoit Aquin en ook niet aan de goede bedoelingen van de curatoren van Noorderlicht. Maar ik vrees dat exposities als Land, Country Life in the Urban Age geen enkele invloed hebben op 'ons consumptiegedrag en onze culturele expansie'. Laat staan dat Del Monte en Dole naar aanleiding deze expositie tot inkeer komen en de slachtoffers van hun wanbeleid schadeloos stellen. Daar is meer voor nodig dan mooi ingelijste foto's in een museale omgeving.

foto Sietse Postma (Winterthur, 2009)