donderdag 12 mei 2011

Niks renaissance van de fotojournalistiek

De aankondiging van de expositie Antiphotojournalism in het Foam maakte me nieuwsgierig. "Net nu het bon ton is geworden om te roepen dat de fotojournalistiek dood is doen recente gebeurtenissen vermoeden dat er iets heel anders gaande is. De fotojournalistiek beleeft eerder een opmerkelijke en uiterst onverwachte renaissance. Nieuwe werkwijzen, strategieën, perspectieven, technieken en spelers zorgen voor radicale veranderingen binnen de fotojournalistieke praktijk. Deze nieuwe ontwikkelingen worden nu op een prikkelende manier in kaart gebracht met de groepstentoonstelling Antiphotojournalism." Dat wilde ik zien.

Na zo'n aankondiging verwachtte ik een actuele expositie, met lijnen naar de toekomst. Maar dat valt tegen. Wat ik in het Foam zie, zijn voornamelijk projecten die de afgelopen decennia zijn gerealiseerd. De bijdrage van Paul Fusco over de dood van Robert F. Kennedy is zelfs uit 1968! Ook het werk dat Susan Meiselas in de jaren negentig over de Koerden maakte, past niet bepaald in de categorie 'nieuwe strategieën en spelers'.

Spaans
De expositie is geproduceerd door La Virreina Centre de la Imatge, een cultureel instituut in Barcelona, Ik krijg de indruk dat het Foam de tentoonstelling klakkeloos heeft overgenomen, inclusief Engelstalige teksten en Spaanse ondertitels. De enige Nederlandse deelnemer is Kadir van Lohuizen met de serie Diamond Matters uit 2005. In deze serie volgt Van Lohuizen de route die diamanten afleggen van de Afrikaanse modder tot de decadente Londense jet set. Hij toont aan dat de diamanthandel bepaald geen 'fair trade' is.

Een vijftigtal foto's uit deze serie is tamelijk liefdeloos tegen de wand geplakt. Ze hangen in lange stroken onder elkaar. Het verhaal begint linksboven, vlak onder het plafond en eindigt rechtsonder op ooghoogte. Het is bijna ondoenlijk om de beelden stuk voor stuk de aandacht te geven die ze verdienen. De makers van deze expositie blijken sowieso graag wandvullend bezig te zijn. Heel decoratief allemaal. Maar een ramp voor de kijker. Een dieptepunt vind ik de zalen die behangen zijn met printjes uit het door Ariella Azoulay samengestelde 'archief' over zestig jaar Israëlische bezetting van de West Bank en de Gaza-strook. Wat moet ik met zo'n massa fotootjes en onleesbare teksten?

De serie Diamond Matters is een excellent voorbeeld van 'oude' fotojournalistiek en past met zijn fraaie zwart wit beelden naadloos in de traditie van geëngageerde documentaire fotografie. Onzin om dit werk te presenteren als illustratie van een 'onverwachte renaissance'. Waarom wordt er geen aandacht besteed aan Via PanAm, het project waar Van Lohuizen nu aan werkt? Dat laat goed zien hoe een fotojournalist vandaag de dag 'nieuwe strategieën en technieken' onderzoekt, inclusief app's voor de iPad! 

Uit de serie Diamond Matters (foto Kadir van Lohuizen)

















Motto
Als ik thuis de brochure die het Foam bij de expositie heeft gemaakt doorkijk, valt m'n oog op het motto op de eerste pagina. Het is een citaat uit een tekst uit 1999 van de Amerikaanse fotograaf Allan Sekula, een van de deelnemers aan de expositie: "The rule of thumb for this sort of anti-photojournalism: no flash, no telephoto zoom lens, no gas mask, no auti-focus, no press pass and no pressure te grab at all costs the one defining image of dramatic violence."

Nu valt het kwartje. Het gaat bij deze tentoonstelling dus helemaal niet om het signaleren van 'een opmerkelijke en uiterst onverwachte renaissance' van de fotojournalistiek. Dat heeft de PR-afdeling van het Foam ervan gemaakt. [Komt dat zien: RECENT, NIEUW, RADICAAL, PRIKKELEND!] Onzin, Antiphotojournalism is gewoon een kritische tegenhanger van World Press Photo en laat zien dat er al decennialang fotografen rondlopen die er niets voor voelen hun leven te riskeren voor een sensationele prent op de voorpagina, maar juist op zoek gaan naar de achterkant van het nieuws en daar op een ongebruikelijke manier verslag van doen.

Ik ga nog een keer kijken. En dan niet met de verwachting dat ik ooggetuige zal zijn van de wonderbaarlijke herrijzenis van de fotojournalistiek, maar wel om te zien hoe eigenzinnige fotojournalisten te werk gaan. Fotografen die niet verslaafd zijn aan de waanzin van de dag, voor wie de voorpagina niet het hoogst haalbare is en die maling hebben aan het circus van World Press Photo.

Wel jammer dat ik dan weer tegen dat fotobehang aan moet lijken.

Champs Elysées (foto Sietse Postma)


maandag 2 mei 2011

Een heel gedoe, zo'n interview

In de jaren negentig schreef ik recensies over beeldende kunst voor een regionale krant. Af en toe deed ik een interview. Zo'n vraaggesprek bereidde ik zorgvuldig voor. Gewapend met vragenlijst en blocnote nam dan ik plaats tegenover de man of vrouw die ik moest ondervragen. Vaak legde ik het gesprek ook vast op een cassettebandje. Dat had ik nodig voor het ontcijferen van de vellen vol haastig neergekrabbelde antwoorden. Zo'n interview was een heel gedoe.

Onlangs werd ik zelf geïnterviewd. Dat was in het kader van een serie artikeltjes over West-Friese kunstenaars in dezelfde krant als waarvoor ik vroeger m'n stukjes schreef. Op het afgesproken tijdstip verscheen een tenger meisje in de galerie waar ik op dat moment met twee collega-fotografen een expositie had. Na een uurtje foto's kijken en praten toverde ze een vragenlijstje tevoorschijn, keek er even op en sloot het interview af. Ze had ongeveer een half A5-je met aantekeningen. Tijd voor de foto.

[Toen ik zelf dit werk zelf nog deed, maakte ik daarvoor een afspraak met een echte persfotograaf, die dan tijdens het interview langskwam voor het maken van een fraai portret. Maar die fotograaf is al lang wegbezuinigd.]

Tevreden

De interviewster haalde haar spiegelreflex tevoorschijn en dirigeerde me een beetje giechelig naar een hoek van de galerie, zodat ik mooi voor m'n eigen foto's stond. Ze drukte een paar keer af – 'u kijkt een beetje streng' – deed een nieuwe poging en liet me het resultaat op het schermpje van de camera zien. We waren beiden tevreden.

We namen hartelijk afscheid. Ik hoefde het stukje voor publicatie niet te lezen, had ik gezegd. Toch was ik niet helemaal gerust op het resultaat. Ik hoopte maar dat ze een goed geheugen had, want van haar aantekeningen moest ze het niet hebben.

Een paar dagen later installeerde ik me op een terrasje met een exemplaar van de krant waarin het interview moest staan. Voordat ik aan de koffie begon bladerde ik hem door. Ik hoefde niet lang te zoeken. M'n kop knalde van de pagina. De redactie had de foto flink uitvergroot. Haarscherp grijnsde ik mezelf toe. Afgezien van een paar vage uitspraken en een verkeerd jaartal was het een aardig stukje. Opgelucht dronk ik mijn koffie.

's Middags kwam ik een buurvrouw tegen. 'Leuke foto!' riep ze toen ik voorbij fietste. Zo beleefde ook ik de spreekwoordelijke '15 minutes of fame'. Het werd tijd.

foto Faralda Houthuijsen

dinsdag 29 maart 2011

Met of zonder Amsterdammers

Het zaaltje in Fotomuseum Amsterdam (FOAM) is afgeladen. Ik zoek een veilige plek dicht bij de uitgang. In de verte stelt de wethouder van cultuur van Amsterdam, Carolien Gehrels, zich op achter de microfoon. Na een paar zinnen stokt haar praatje. De exposant, Dana Lixenberg, laat merken dat de wethouder slecht geïnformeerd is. Gehrels lost het soepeltjes op en nodigt Lixenberg uit dan zelf maar te vertellen hoe haar serie 'Set Amsterdam' tot stand is gekomen.
     De fotografe legt het uit maar vergeet de microfoon. Wat volgt is een onderonsje tussen Lixenberg en Gehrels. Alleen te verstaan door de mensen die vooraan staan. Geeft niks. We zijn hier niet voor het verhaal en eigenlijk ook niet voor de foto's. Met een paar obligate zinnen sluit de wethouder af. Beschaafd applaus. Nog even wat bedankjes en grappen. Dan is er drank en kan het netwerken beginnen.
     Ik ben niet zo'n party-tijger en ook niet erg thuis in de wereld van sterren en andere belangrijke mensen. Toch herken ik een paar acteurs en aanverwante types. Dat is niet zo verwonderlijk want de serie 'Set Amsterdam' heeft Lixenberg gemaakt naar aanleiding van de tv-serie 'Adam - E.V.A. (Amsterdam en vele anderen)' van de VPRO. Aanvankelijk zou ze alleen portretten maken van de acteurs. Maar de plekken waar de serie werd opgenomen, intrigeerden haar dermate, dat ze besloot daar een afzonderlijke serie van te maken. 

foto Dana Lixenberg
Event
Dana Lixenberg is een Nederlandse fotograaf die al jaren succes heeft in New York; Adam en E.V.A. is een populaire tv-serie van een omroep waarmee je als creatieve Amsterdammer voor de dag kunt komen; fotografie is trendy en het FOAM is 'cool'. Voeg daar nog wat geroutineerde PR aan toe en je hebt een 'event'. Dat wil zeggen: een massaal bezochte opening en grote stukken in dag- en weekbladen; Vrij Nederland pakte bijvoorbeeld uit met een fotodocument van acht pagina's.
     Een paar weken geleden ontving ik de uitnodiging voor deze expositie. Het zinnetje 'Kenmerkend voor de foto's (van Amsterdam) is de afwezigheid van mensen' maakte me nieuwsgierig. Ik houd namelijk erg van foto's zonder mensen. Zelf wacht ik ook meestal met het maken van een foto tot iedereen net kader heeft verlaten. Deze expositie wilde ik dus niet missen.
 
Registraties
Voordat de officiële opening plaatsvindt en het nog rustig is in het museum, maak ik een rondje langs de tot billboard-formaat opgeblazen kleurenfoto's. Het licht valt zoals het moet vallen. Alles staat op z'n plek. De scherpte is meedogenloos. De beelden laten niets te raden over. En inderdaad: geen mens te zien. Ik zie echter geen 'sporen van menselijke activiteit die een indicatie vormen van iemands persoonlijkheid en levenswijze', zoals de uitnodiging ook beloofde.
     Wat ik wel zie zijn cleane registraties van smakeloos ingerichte rouwkamers, de kantine van een sportclub met meubilair uit de kringloopwinkel, de ongezellige keukentafel van de familie Azim, een Jordaan-interieur vol poppen en prullen, de kamer van een budgethotel met volgekladde wanden … Het is wat je ziet. Niet meer en niet minder. Een en al cliché en ongelooflijk saai.

Nostalgie
Vlakbij het FOAM is nog een expositie met foto's over Amsterdam. Het Stadsarchief heeft 150 foto's gekozen uit de 250.000 beelden van Amsterdam die de collectie van het Maria Austria Instituut rijk is. Het zijn foto's uit de periode 1935 - 2005, gemaakt door bekende fotografen als Eva Besnyö, Carel Blazer, Paul Huf, Philip Mechanicus, Sem Presser en Kees Scherer.
     Heel veel nostalgisch zwartwit en heel veel gewone Amsterdammers. Plaatjes waar menige wat oudere Mokumer bij weg zal dromen. Ach, zo kneuterig hoeft het van mij nou ook weer niet. Maar in elk geval heel wat minder saai dan de pretentieuze prenten van Dana Lixenberg in het FOAM. 

foto Sietse Postma

dinsdag 14 december 2010

Verleden tijd, net als de postbode


Om een beetje 'bij' te blijven kijk ik geregeld op de site van de NOS. Het nieuws wordt daar vaak geïllustreerd met foto's die van flickr.com zijn geplukt. Dat gebeurde laatst ook met het bericht over de vrijlating van een 'internetvandaal' uit Hoogezand-Sappemeer. Daarbij stond een foto van Davide Restivo uit Zwitserland. Restivo is geen beroepsfotograaf. Hij verdient zijn brood in de ICT. Dat de NOS een foto van hem gebruikt, levert hem waarschijnlijk een paar tientjes op. Dat is leuk meegenomen maar een nieuwe lens kan hij er niet van kopen.

website NOS, maandag 13 december
Het is begrijpelijk dat de NOS gebruik maakt van zulke foto's. Ze zijn makkelijk te vinden, direct beschikbaar en technisch ok. De redactie had ook een foto kunnen zoeken in de beeldbank van een Nederlandse fotobureau als Hollandse Hoogte. Ik vermoed dat tussen de acht miljoen foto's die dit bureau in zijn digitale archief heeft, wel een interessanter beeld te vinden is dan de foto die Restivo maakte van een paar handen boven het toetsenbord van een laptop.

Hollandse Hoogte, dat dit jaar zijn 25-jarig jubileum viert, betrekt zijn foto's van professionele fotografen. En niet van de minste. Ondanks dat het bureau zijn prijzen de laatste jaren noodgedwongen drastisch heeft verlaagd, zal het qua prijs nooit met een Zwitserse amateur kunnen concurreren.

Broodroof
In fotobladen en op forums is de concurrentie tussen professionele fotografen en amateurs een hot-item. Sommige professionals hebben het zelfs over broodroof en verlangen van hun beroepsvereniging dat zij paal en perk stellen aan de activiteiten van de amateur-fotografen. Ik vind dat onzin.

Digitale fotografie en internet hebben de fotografie gedemocratiseerd. Voor weinig geld kun je kwalitatief goede foto's maken en deze via internet simpel en doeltreffend aanbieden en verspreiden. Het is logisch dat commerciële partijen daar gebruik van maken. Er blijkt veel behoefte aan goedkoop beeldmateriaal. Ik snap óók wel dat professionele fotografen zich kapot ergeren aan de visuele 'bagger' die als gevolg hiervan van beeldschermen en pagina's afdruipt. Maar deze 'bagger' voorziet blijkbaar in een behoefte. Als dat niet zo was, renden de opdrachtgevers wel weer naar de vakman om voor (veel) meer geld 'echte' foto's te laten maken.

Professionals die amateurs beschuldigen van broodroof steken hun kop in het zand. De professionele fotograaf kan zich alleen onderscheiden van de amateur door het leveren van meer kwaliteit. Als afnemers en gebruikers maling hebben aan kwaliteit, zullen ze er ook niet voor willen betalen. Het is zinloos iets aan te (blijven) bieden waar geen vraag naar is. Dat deel van de markt is verloren terrein. Jammer, maar niets aan te doen. Verleden tijd, net als de postbode.

De professional zal zich moeten richten op een markt waar kwaliteit nog wel een rol speelt. En daar gaat de strijd dus niet tussen beroeps en amateurs, maar tussen professionals onderling. Daar tellen vakmanschap, originaliteit, creativiteit en ondernemerschap. Die strijd is keihard, niet in de laatste plaats door de grote instroom van goed opgeleide, ambitieuze jonge fotografen. Amateurs hebben hier geen schijn van kans. Terecht.

foto Sietse Postma (Arles, 2010)


vrijdag 3 december 2010

Fotografie was nog nooit zo goedkoop

Dankzij de digitale revolutie hoeft fotografie vandaag de dag geen dure bezigheid te zijn. Eigenlijk heb je niet veel meer nodig dan een digitaal cameraatje, een computer met een eenvoudig beeldbewerkingsprogramma en een internetverbinding. Niets staat je dan nog in de weg om de mooiste foto's te maken en ze via het net aan de hele wereld te laten zien. Fotografie is nog nooit zo makkelijk geweest. En zo goedkoop!
     Het gevolg laat zich raden: iedereen fotografeert zich suf. Een niet onaanzienlijk deel van al die foto's die worden gemaakt, komt op internet terecht. Op flickr.com worden onder het motto 'Share your photo's. Watch the world' elke minuut vijf- à zesduizend foto's en video's gepost. Met zo'n immens reservoir aan beeldmateriaal heb je zelfs geen camera meer nodig. Elke foto die je kunt verzinnen, vind je op internet. Klik! Fotograferen met de muis.

Foto's van de straat
Joachim Schmid,
Bilder von der Strasse
Het is in kunstkringen al een tijdje populair om met 'gevonden' beeldmateriaal te werken. De Duitse fotograaf Joachim Schmid is er wereldberoemd mee geworden. Zijn project Bilder von der Strasse loopt al sinds 1982. In Nederland publiceert KesselsKramer sinds 2001 het magazine Useful Photography. Het als boekwerk uitgevoerde periodiek staat vol zorgvuldig geselecteerde en gepresenteerde 'gevonden' foto's. Aanvankelijk werd er voor dit soort publicaties driftig geknipt uit kranten, tijdschriften, catalogi etc. Tegenwoordig is internet de onuitputtelijke bron.
     Wie als kunstenaar aan de slag gaat met 'gevonden' materiaal, kan het verwijt krijgen plagiaat te plegen of niet origineel te zijn. Dat overkwam ook Dada-kunstenaar Marcel Duchamp toen hij in 1917 (!) een porseleinen urinoir inleverde voor een expositie. De selectiecommissie oordeelde dat de pisbak, ondanks de signatuur 'R. Mutt 1917' en het feit dat het ding op zijn kant lag, plagiaat was. Het was gewoon een 'plain piece of plumbing', vond men.
     Duchamp antwoordde: "Whether Mr. Mutt with his own hands made the fountain or not, has no importance. He CHOOSE it. He took an ordinary article of life, placed it so that its useful significance disappeared under the new title and point of view – created a new thought for that object. As for plumbing, that is absurd." Voor Marcel Duchamp heeft het ambachtelijke in de kunst afgedaan. Voor hem gaat het in de kunst niet langer om het maken maar om het kiezen en om het creëren van een nieuwe visie. Het accent verschuift van materieel naar conceptueel.

Geniaal
Het is grappig om te zien dat zich bijna honderd jaar later in de fotografie iets vergelijkbaars voordoet. Sommige fotografen maken zelf geen foto's meer. Zij maken dankbaar gebruik van de mega-grote beeldbank die dankzij een anonieme massa kiekjesmakers en broodfotografen op internet beschikbaar is. Hieruit kiezen zij de foto's die zij nodig hebben voor het verbeelden van hun idee, van het concept. Dat die foto's technisch en/of esthetisch doorgaans verre van perfect zijn, is geen probleem. Het gaat om het concept, niet om de foto.
     Het is een nieuwe vorm van fotokunst, die om een andere benadering vraagt dan de fotografie die we doorgaans in (foto)musea tegenkomen. Tot nu toe was de visuele kwaliteit van het beeld minstens zo belangrijk als de achterliggende thematiek. Gebruik van licht en kleur, kader en compositie, de kwaliteit van de afdruk en de presentatie, allemaal factoren die bepalend waren voor de impact van en de waardering voor de foto.
     In de nieuwe fotokunst is esthetiek van ondergeschikt belang. We moeten het doen met lelijke plaatjes als illustratie van een concept. En nu maar hopen dat het concept geniaal is. Dan valt er tenminste nog iets te genieten.