dinsdag 4 september 2012

Fotograaf en werkelijkheid: een Siamese tweeling


In de kunst is bijna alles geoorloofd. Een kunstenaar mag verzinnen, liegen en manipuleren zo veel hij wil. Hij mag zijn publiek misleiden, ontregelen en in verwarring brengen. Graag zelfs. Daar is kunst (ook) voor. Maar buiten het domein van de schone kunsten gelden andere regels. Een journalist die een literair verhaal vermomd als nieuwsbericht in de krant zet, vliegt de laan uit. Net als de persfotograaf die een extra hertje in zijn natuurfoto ‘shopt’.

Een foto geeft een beeld van de werkelijkheid zoals die zich op het moment van de opname voor de camera manifesteerde. Of zoals de Amerikaanse fotograaf Stephen Shore (1947) het formuleert in zijn boek The nature of photographs: “The photographic image depicts, within certain formal constraints, an aspect of the world.”

Als iemand met behulp van een of meer fotobestanden en een computerprogramma een beeld creëert, is dat een montage, collage, illustratie, of hoe je het maar wilt noemen, maar geen foto, ook al is het beeld op het eerste gezicht net zo min van een echte foto is te onderscheiden als een verzonnen krantenbericht van een stuk dat op feiten berust. Zo’n beeld is fictie, net als het artikel dat de journalist uit zijn duim zoog.

Analytisch
Stephen Shore vergelijkt in zijn eerder genoemde boek de fotograaf met de schilder: “Photography is inherently an analytic discipline. Where a painter starts with a blank canvas and builds a picture, a photographer starts with the messiness of the world and selects a picture.” Naar analogie hiervan kun je zeggen dat de ‘fictie-fotograaf’ met een leeg scherm begint en hierop met behulp van digitaal materiaal en een beeldbewerkingsprogramma een niet aan de werkelijkheid ontleend beeld creëert.

Het maken van zo’n beeld is wezenlijk iets anders dan het maken van een foto. Anders, niet beter of slechter. Stephen Shore nog een keer: “A photographer standing before houses and streets and people and trees and artefacts of a culture imposes an order on the scene – simplifies the jumble by giving it structure. He or she imposes this order by choosing a vantage point, choosing a frame, choosing a moment of exposure, and by selecting a plane of focus.”

Waar het om gaat is dat de beeldbewerker vrij is bij het maken van zijn beeld, terwijl de fotograaf keuzes moet maken binnen een gegeven realiteit. Die beperking is wezenlijk voor het fenomeen fotografie. De onverbrekelijke band met de werkelijkheid maakt fotografie interessant. De creatieve fotograaf probeert de wereld om hem heen naar zijn hand te zetten en op een persoonlijke manier in te kleuren. Zo’n foto is een interpretatie van de werkelijkheid maar daarmee nog geen fictie.

Focus
Als je een foto bekijkt, ontkom je er niet aan het beeld te relateren aan de werkelijkheid waaraan het is ontleend. Door een bepaald standpunt, kader, moment en scherpstelvlak te kiezen laat de fotograaf je op een bepaalde manier naar die werkelijkheid kijken. Hoe de fotograaf de wereld voor zijn camera heeft getransformeerd naar een tweedimensionaal beeld en hoe hij daarbij de beperkingen van de fotografie de baas is geworden of juist heeft uitgebuit, bepaalt voor groot deel de kwaliteit van de foto.

Dit alles speelt geen rol bij het bekijken en waarderen van een fictioneel beeld. De beeldbewerker heeft geen boodschap aan een weerbarstige werkelijkheid. Hij creëert zijn eigen imaginaire wereld, die vaak niet van de echte is te onderscheiden. De mix van verbeelding en ogenschijnlijk realisme leidt soms tot fascinerende beelden. Fictionele foto’s behoren tot het domein van de beeldende kunst en niet tot dat van de fotografie. Of het goede kunst is, hangt af van het vakmanschap en de originaliteit van de maker, de zeggingskracht van het beeld en de achterliggende ideeën.

Kunst
De klassieke, pure vorm van fotografie is daarentegen een op zichzelf staande discipline. Soms is er een overlap met de wereld van de beeldende kunst. Goede foto’s die meer aan de orde stellen dan het stukje werkelijkheid waaraan ze zijn ontleend, verdienen het label ‘kunst’. Bij zulke foto’s is de autonome kwaliteit belangrijker dan de verwijzing naar de realiteit buiten het beeld. In die zin is er geen verschil met fictionele foto’s.

Het is jammer dat klassieke en fictionele foto’s tegenwoordig vaak lukraak door elkaar worden geëxposeerd en gepubliceerd, als appels en peren die in hetzelfde kistje zijn gekieperd, met als complicatie dat de appels van de buitenkant vaak niet of nauwelijks te onderscheiden zijn van de peertjes. Een klein plakkertje op elke vrucht, net als in de supermarkt, zou misschien geen kwaad kunnen. Dan weet je tenminste waar je in bijt: een sappige peer of een fris appeltje. Allebei lekker maar onvergelijkbaar. 

Arles (foto Sietse Postma, 2011)

maandag 30 juli 2012

Digitaal bedrog ligt steeds op de loer


Het Amsterdams Centrum voor Fotografie (ACF) organiseert twee keer per jaar cursussen voor (amateur)fotografen. De workshops en masterclasses worden gegeven door professionele fotografen. Ik pik er al jaren af en toe een graantje mee. Onlangs verscheen het programma voor het komend najaar op de site.

M’n oog viel direct op de workshop Overtref jezelf!, verzorgd door Cleo Campert. Deze fotografe zette zichzelf in 2002 op de kaart met het boek Uit, waarin ze een beeld geeft van het uitbundige uitgaansleven in de jaren 90. Een paar jaar later zat ik bij het ACF naast haar bij een workshop van Charlotte Dumas. Ze zei toen iets aardigs over een boekje met foto’s van een Grieks eiland dat ik had gemaakt. Van een nadere kennismaking kwam het helaas niet want ze haakte vrij snel af; ik geloof dat ze iets had gebroken. Maar als een aardige fotografe spontaan iets liefs zegt over m’n foto’s, ben ik voor eeuwig haar fan.

Droom
Als ik de aankondiging van haar workshop zie, gloort er even hoop op een hernieuwd contact. Die droom vervliegt echter snel als ik begin te lezen: “Het lijkt zo vanzelfsprekend dat fotografen overal op af stappen en zich nergens door uit het veld laten slaan. Maar zo worden de meeste fotografen niet geboren, dat is een vaardigheid die je kunt oefenen en je eigen kunt maken. In deze workshop zul je die confrontatie aan moeten gaan.”

Nu ben ik inderdaad niet geboren als een fotograaf die overal onvervaard op afstapt. In tegendeel. Wat dat betreft zou de workshop voor mij geen kwaad kunnen. Maar een cursus vol confrontaties en uitdagingen spreekt me niet erg aan. Veel te veel stress voor iemand die voor z’n plezier fotografeert. Toch bekijk ik nog even de foto’s die het ACF bij de aankondiging van de workshop heeft geplaatst, uiteraard gemaakt door Cleo Campert.

Op de eerste foto ligt een fotografe languit voor een podium waarop een paar mensen met elkaar in gesprek zijn. Op de volgende knielt ze in een volle aula vlak voor het katheder om de spreker van dichtbij te fotograferen. De derde foto is genomen tijdens een dodenherdenking op de Dam in Amsterdam. De fotografe zit nu wat ongemakkelijk op de keitjes, vlak voor het monument, terwijl op de achtergrond koningin en prins de trappen bestijgen voor de kranslegging. 

beeld Cleo Campert (uit de serie 'Picture me')
Wartaal
Bij de derde foto zie ik het pas: de fotografe heeft helemaal geen camera. Met haar handen voor haar gezicht dóet ze alsof ze een foto maakt. Niet alleen de camera is nep, de foto’s zijn dat ook. Het zijn montages. Als ik doorklik naar de website van Cleo Campert zie ik dat het beelden zijn uit de serie Picture me. Er staat bij: “Campert verbeeldt (in deze serie) haar zoektocht, het inspiratieproces, de ambitie en het kunstenaarschap in de gebieden van de kunsten, de wetenschap, de fotografie, de handel etc. Het gaat over de rol en het bewust zijn als fotograaf/kunstenaar; hoe verhoudt zij zich tot deze werelden. Het werk valt samen met de zoektocht.”

Zulke warrige teksten maken me altijd een beetje kregelig, zelfs als ze geschreven zijn door een vrouw die zich ooit lovend uitgelaten heeft over mijn foto’s. Maar de beelden vind ik nog irritanter. Op de site van het ACF worden ze gepresenteerd als gewone foto’s en de kijker moet er zelf maar achter komen dat ze nep zijn, dat de beelden niet gemaakt zijn met een fotocamera maar met een computer. En natuurlijk stink ik er in eerste instantie weer in.

beeld Alain Delorme (uit de serie 'Totems')
Dat overkwam me eerder bij het zien van de serie Totems van Alain Delorme in de GUP van juli 2011. Met verbazing bekeek ik de vernuftige stapels goederen die Chinese kooplui op hun fietsen en karren vervoeren. ‘Hoe is het mogelijk’, dacht ik. In april van dit jaar besteedde de Volkskrant aandacht aan dezelfde serie. Toen las ik dat Delorme de foto’s in paar weken in Shanghai had gemaakt en daarna nog een half jaar aan het photoshoppen was geweest om de stapels stoelen, dozen, kunstbloemen en wat dies mee zij tot onwaarschijnlijke proporties op te blazen. 

beeld Lucie & Simon (uit de serie 'Silent world')
Naïef
Ik voelde me in de maling genomen en schaamde me een beetje voor mijn naïviteit. Natuurlijk was dit nep. Dat ik dat niet meteen had gezien. Alleen al de veel te cleane straten en de netjes op hun plek gezette voorbijgangers hadden m’n argwaan moeten wekken.

Onlangs publiceerde de Volkskrant ook een paar ‘foto’s’ van het Frans-Duitse koppel Lucie en Simon. Blikvanger was een enorme foto van het Place de la Concorde in Parijs. Op het immense plein loopt slechts één persoon, zo te zien een oudere vrouw. Maar nu trapte ik er niet in. Ik weet nu dat foto’s niet meer te vertrouwen zijn, ook al zien ze er nog zo echt uit en staan ze in een respectabele krant.

Vroeger moest je foto’s van politici uit Oostbloklanden en andere dictaturen met een korreltje zout nemen. Tegenwoordig moet je bij zowat elke foto op je hoede zijn. Digitaal bedrog ligt steeds op de loer. De fotografie heeft haar onschuld verloren. 

'Ville déserte' (foto Sietse Postma 2012)

maandag 7 mei 2012

Foto's als fastfood


De eerste aflevering van het tv-programma Nep, gepresenteerd door Owen Schumacher, was gewijd de (on)betrouwbaarheid van de fotografie. Het 27 april jl. uitgezonden programma begon met een onbeduidend itempje over de foto’s die twee meisjes in 1917 in het Engelse Bradford maakten van uit papier geknipte elfjes. Het schijnt dat sommige Engelsen, onder wie de schrijver Sir Arthur Conan Doyle, dachten dat het echte elfjes waren die op de foto’s stonden. Schumacher toog naar Bradford en maakte daar zijn eigen elfjesfoto. Ook nep natuurlijk.

Rhein II van Andreas Gursky (1999)
Daarna ging hij naar de Tate Gallery in Londen, dat een afdruk van het werk Rhein II van de Duitse kunstenaar/fotograaf Andreas Gursky in de collectie heeft. Van dat werk uit 1999 zijn zes afdrukken gemaakt op een formaat van 190 x 360 cm. Eind vorig jaar is bij Christie’s in New York een van de overige vijf exemplaren voor ruim 4,3 miljoen dollar geveild, het hoogste bedrag dat tot nu toe voor een ‘foto’ betaald is.

De Nep-presentator sloeg op de stoep van het museum voor de camera een boek open met een reproductie van het werk. ‘Een schitterende foto,’ zei hij, maar voegde eraan toe dat de kunstenaar een fabriekscomplex ‘listigjes had weggephotoshopt’. Vervolgens vroeg hij zich af hoe moeilijk het is om zo’n foto te maken als je toch fabrieken mag wegpoetsen. Het was overigens niet duidelijk of Schumacher de Tate Gallery werkelijk had bezocht en het ´afdrukje´ met eigen ogen had gezien. Ik heb mijn twijfels.

Noordzeekanaal
In een volgend shot zagen we Schumacher langs het Noordzeekanaal in de weer met zijn digitale spiegelreflex. Het resultaat leverde hij in bij een Photoshop-expert, die er in twee uur een imitatie Rhein II van maakte. ‘Is dat het origineel?’, riep Schumacher toen hij het resultaat op het beeldscherm zag. Stomverbaasd was hij toen hij hoorde dat het de nep-Gursky was. Ja, ja. Schumacher is goed in typetjes, maar niet in acteren.

Owen Schumacher is niet de eerste die zich liet ‘inspireren’ door dit werk van Gursky. Naar aanleiding van het nieuws over ‘de duurste foto ooit’ grepen heel wat mensen hun camera en maakten een vergelijkbare foto en zetten die op internet. Daarmee wilden ze waarschijnlijk aantonen dat ze het belachelijk vinden dat iemand miljoenen betaalt voor een even simpel als saai plaatje, waaraan bovendien flink is gephotoshopt.

Topkunst
Dat de kunsthandel perverse trekjes heeft wisten we al en het is inderdaad merkwaardig dat er miljoenen worden betaald voor een reproduceerbaar werk, nota bene van een nog levende kunstenaar. Maar daar gaat het me nu niet om. Waar het me wel om gaat is dat deze affaire goed laat zien dat de digitalisering en popularisering van de fotografie tegenstrijdige gevolgen heeft voor de waardering van fotografisch beeldmateriaal.

Fotografen als Andreas Gursky zijn dankzij de digitale technieken in staat uitzonderlijke werken te creëren die door hun enorme formaten alleen nog maar in musea of luxe kantoren getoond kunnen worden. Tot voor enkele jaren was dat het domein van imponerende schilderijen van moderne meesters. Doordat de oplagen van de kingzise fotoprints bewust laag gehouden worden, zijn de werken exclusief en dus duur, en daarmee gewilde objecten voor verzamelaars en speculanten. Fotografie als peperdure topkunst.

Daartegenover zijn in de wereld van de amateurs en kiekjesmakers foto’s dankzij de digitalisering juist immaterieel en goedkoop geworden. De fotograaf kan blijven ‘schieten’ want de giga-schijfjes zijn schier onverzadigbaar. Servers slorpen miljoenen beelden op zonder uit hun voegen te barsten. De beelden flitsen voorbij op schermen en schermpjes; overvloedig en vluchtig. Foto’s als fastfood. Leuk en lekker maar verder van weinig waarde.

Dom
Vanuit dat perspectief is het moeilijk te bevatten dat voor een foto absurd veel geld wordt betaald. Mensen maken zich daar boos over of proberen er de draak mee te steken. Ik kan me dat wel voorstellen. Maar dat iemand niet snapt dat er een wezenlijk verschil is tussen een beeldschermprojectie van een plaatje dat samengesteld is uit een stukje Noordzeekanaal en een paar grazige dijkjes en een perfecte kingsize print van een met een grootformaat camera gemaakte en digitaal bewerkte foto van de Rijn, gaat er bij mij niet in. Volgens mij nam Schumacher ons in de maling. Zo dom, kan hij toch niet zijn?

Over het werk Rhein II heb ik geen mening. Daarvoor zou ik het eerst met eigen ogen moeten zien. In het echt dus. Maar een reisje naar Londen heb ik er niet voor over. En ook geen 4,3 miljoen dollar. 
 





















Erik Kessels maakt een foto van de installatie die hij eind 2011 in het FOAM maakte als onderdeel van de expositie What´s next? Voor die gelegenheid printte hij alle beelden uit die in een periode van 24 uur op Flickr waren gezet en stortte deze in de tentoonstellingszalen. (foto Sietse Postma)

Klik hier voor een interessante beschouwing over het werk van Andreas Gursky, geschreven door de Belgische kunstfilosoof en fotograaf Stefan Beyst.


woensdag 4 april 2012

Kitsch verkoopt


Hans Aarsman houdt niet van mooie foto's. Een foto moet registreren, niet meer en niet minder. Als je een foto maakt van iets wat interessant is, heb je een interessante foto. Zo simpel is het. Veel fotografen willen ‘schilderijtjes’ maken met een uitgekiende compositie en mooi licht. Dat is Aarsman een gruwel. Helemaal als die foto’s dan ook nog eens worden ingelijst.

Hans Aarsman (1951), die onlangs te gast was in het tv-programma ‘Brands met boeken’, werkte als fotojournalist, maakte fotoboeken, kreeg een belangrijke fotografieprijs en is vertegenwoordigd in de collectie van het Nederlands Fotomuseum. Een cv waar menige fotograaf jaloers op zal zijn. Toch is hij jaren geleden gestopt als professionele fotograaf. Het stoorde hem dat hij niet los kwam van die vermaledijde schilderkunstige esthetiek. Tegenwoordig maakt hij hooguit nog foto’s met zijn iPhone, maar dan alleen om iets grappigs of bijzonders vast te leggen, of iets wat hem dierbaar is.

Volgens Aarsman is de voorkeur voor het maken van mooie foto’s ontstaan doordat de fotografie uitgevonden is toen de schilderkunst al lang en breed bestond. De eerste fotografen wilden niet onderdoen voor hun schilderende kunstbroeders. Die neiging naar het artistieke zit er volgens Aarsman bij fotografen nog steeds in. Volgens mij is dat iets te simpel geredeneerd. 

Artistiekerig
De fotografie kwam op in de tweede helft van de negentiende eeuw. Aanvankelijk maakten fotografen vooral portretten, stadsgezichten en af en toe een stilleven. Het is logisch dat ze daarbij leunden op schilderkunstige tradities waarmee ze waren opgegroeid. Toch zijn die eerste professionele foto’s niet artistiekerig of quasi schilderachtig. Een vroege Nederlandse fotograaf als Pieter Oosterhuis  (1816-1885) registreerde bijvoorbeeld helder en precies de grote waterstaatkundige werken van zijn tijd.

George Davison, The onion field (1890)
De eerste decennia is fotografie hét middel om de wereld zo natuurgetrouw mogelijk in twee dimensies te reproduceren. Rond 1900 wordt de fotografie ook ontdekt als kunstzinnig medium en ontstaat er een ‘picturalistische’ stroming. Fotografen spelen met licht en onscherpte en experimenteren in de doka om hun foto’s sfeervoller of expressiever te maken. Naast de min of meer objectieve, registrerende vorm van fotografie ontstaat een genre waarbij de nadruk ligt op persoonlijke expressie. Het echte picturalisme raakt weer uit de mode maar subjectieve, op expressie gerichte fotografie bestaat nog steeds.

Of de fotograaf nu uit is op registratie of op expressie (of een combinatie daarvan) in alle gevallen wil hij een beeld maken dat het aanzien waard is. Daarbij spelen esthetische criteria een rol; dat kan niet anders. Alleen kiekjesmakers die van toeten noch blazen weten, fotograferen zonder enig esthetisch bewustzijn; als het er maar op staat. Goede fotografen onderscheiden zich door een effectieve, originele en authentieke stijl. In die zin is er niets mis met ‘mooie’ foto’s.

Piëta
Anders wordt het als fotojournalisten gaan stileren en de rauwe werkelijkheid overgieten met een esthetisch sausje. Ik ben het volledig met Hans Aarsman eens dat zulke foto’s het publiek misleiden en de indruk kunnen wekken ‘dat het allemaal wel meevalt’. Als voorbeeld van zo’n ‘geruststellende’ foto noemde Aarsman in het gesprek met Wim Brands de World Press foto van het jaar 2011, gemaakt door de Spaanse fotograaf Samuel Aranda (1979).

foto Samuel Aranda
Aranda maakte de foto op 15 oktober 2011 in Jemen. Op de foto zien we een gesluierde vrouw die het naakte bovenlijf van een man tegen zich aandrukt. Volgens het bijschrift zijn het Fatima al-Qaws en haar achttienjarige zoon Zayed. De jongen had deelgenomen aan een betoging waarbij traangas was gebruikt. Het beeld doet sterk denken aan een ‘piëta’, de klassieke afbeelding van Maria met de dode Christus op haar schoot. Het verbaast me niet dat een internationale jury van ‘leading experts in visual journalism’ zo’n kitschbeeld tot persfoto van het jaar verkiest. Zulke foto’s doen het nu eenmaal goed in de media want ze raken een gevoelige snaar zonder confronterend te zijn. Daarmee trek je kijkers en lezers, en adverteerders.

Er is niets mis mee als fotografen mooie foto’s maken. Maar fotojournalisten moeten oorlogen of andere ellende niet presenteren in de vorm van ‘schilderijtjes’ of quasi religieuze plaatjes die het volk troosten of geruststellen. Zij moeten het de wereld tonen zoals die is, zonder opsmuk. Dat is wel zo eerlijk, al vrees ik dat het weinig uithaalt. Oorlog en ellende zullen er altijd zijn; daar verandert de fotografie niets aan. Religie trouwens ook niet.

Wat is er mis met een mooie foto? (foto Sietse Postma 2012)

woensdag 14 maart 2012

Appelmoes in Antwerpen

Het is al weer een paar jaar geleden dat ik voor het laatst in Antwerpen was. Veel veranderd is er niet. Het nieuwe station maakt nog steeds indruk. De trein uit Amsterdam arriveert op het laagste van de vier niveaus. Dankzij de enorme vide schijnt zelfs hier in de diepte de zon. Eindeloze roltrappen leiden naar de donkere stationshal, die met zijn negentiende-eeuwse pracht en praal een beetje uit de toon valt. Het station is af. Nu is de Keyserlei aan de beurt. De brede straat wordt wandelboulevard. Op de bouwschutting hangen foto's waarop te zien is hoe de straat er pakweg honderd jaar geleden uitzag. Zo moet het weer worden. Antwerpen koestert zijn verleden.

De geur van zoete wafels maakt me hongerig. Ik koop een 'chausson aux pommes'. Hier heet dat een 'appelflap'. Ondanks de Hollandse naam is de uitvoering onvervalst Frans. Voorzichtig zet ik mijn tanden is de flap en gulzig zuig ik de appelmoes naar binnen. Ik moet aan mijn kleinzoon denken.

Een paar weken geleden zette zijn moeder hem bij me op schoot en drukte een potje perenmoes en een lepel in mijn handen. Als vijf maanden oude zuigeling wist hij nog niet zo goed raad met de lepel die ik tussen zijn lippen wurmde. Soms lukte het me wat perenmoes in zijn mond te krijgen. Met zichtbaar genoegen perste hij die dan tussen zijn lippen door naar buiten, waarna ik de smurrie van z'n kin schraapte en opnieuw bij hem naar binnen werkte. We waren er een poosje zoet mee.

Waalse Kaai
De zon schijnt. Jas en das gaan los. Lente. Op naar de Waalse Kaai, naar het FoMu, het Fotomuseum van de Provincie Antwerpen. Daar is veel te zien. Niet alleen foto's uit heden en verleden maar ook een leuke collectie camera's en een educatieve tijdlijn over de geschiedenis van de fotografie. Ik zap er doorheen.

Het museum heeft uit de eigen collectie een leerzame expositie samengesteld. De foto’s zijn gegroepeerd rond de trefwoorden: objectief, subjectief, publiek en privé. Geen wereldschokkende indeling maar wel veel mooie foto’s. Het museum heeft een rijke verzameling met werk van fameuze fotografen. De geschiedenis van de fotografie trekt weer aan me voorbij. Het is interessant om te zien dat heel wat foto’s ook in een andere categorie passen dan waarin ze worden getoond.

Een mooi voorbeeld vind ik de serie ‘The Brown Sisters’ van Nicolas Nixon. Sinds 1975 maakt Nixon elk jaar een foto van zijn vrouw en haar drie zusters. Op elke foto staan ze in dezelfde volgorde. Op de tentoonstelling hangen een paar van deze portretten in de afdeling ‘privé’. Dat is te verdedigen; het zijn tenslotte familiefoto’s. Tegelijkertijd illustreren de foto’s op een mooie, objectieve manier hoe smaak en mode in de loop der jaren veranderen. Maar voor mij zijn het vooral beelden waarmee Nicolas Nixon laat zien hoe hij tegen het leven en het meedogenloos verstrijken van de tijd aankijkt. Privé, objectief en subjectief gaan moeiteloos samen.

De hoofdtentoonstelling ‘Imaging history’ stelt een beetje teleur. Vooral de grote landschapsfoto’s van Sally Man vallen me tegen. Het zijn landschappen waar tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog zwaar is gevochten, vastgelegd op collodiumplaten. Het zijn grauwe, bijna abstracte beelden. De imperfectie van de natte-plaat-fotografie ligt er te dik boven op, vind ik. Het werk krijgt er iets kitscherigs door. Jammer, want ik ben een fan van Sally Man.

Desolate straten
Ik ben verzadigd. Tijd voor Belgisch bier in een nabijgelegen café. Als er een waterig zonnetje doorbreekt ga ik naar buiten en haal m’n analoge Pentax met 40mm pancake tevoorschijn. M’n favoriete camera. Ik verken de buurt. Mooi namiddag licht, brede boulevards en desolate straten en kaden. De spectaculaire, moderne architectuur van het nieuwe gerechtshof dat aan het eind van een van de boulevards opdoemt, inspireert me niet. Wel de grauwe woontoren die er vlakbij staat. Objectieve fotografie bestaat niet.

De film is vol en het licht dooft. Ik loop nog een stukje langs de Schelde. Het is bekend terrein. Toch ‘schiet’ ik nog wat met de digitale compact. Vergeefse moeite, met de zon is ook de inspiratie verdwenen.

Nog voor de trein België uit is heb ik de beelden al gewist. Ik troost me met de gedachte dat ik analoog vast beter op dreef was. Over een kleine week weet ik of ik de beelden publiek kan maken of dat ik ze beter privé kan houden. Net als de digitale kiekjes van mijn kleinzoon.

'Objectieve fotografie bestaat niet' - Antwerpen, maart 2012 (foto Sietse Postma)

zaterdag 11 februari 2012

Pure fotografie is passé

Jonge fotografen voelen zich steeds minder aangetrokken tot een basale toepassing van het medium. In plaats van nauwgezet vast te leggen wat er is en dat vervolgens zonder poespas te reproduceren, gebruiken zij fotografie als middel voor het verbeelden van een idee. Ze versnijden hun foto’s - of die van anderen - om er vervolgens nieuwe beelden mee te maken; knutselen in de studio stellages in elkaar en fotograferen die; ensceneren taferelen of spelen zelf een hoofdrol in hun fotoseries. In de nabewerking wordt vaak drastisch ingegrepen in het beeld dat is vastgelegd. Kortom, fotografie is onderdeel van het creatieve proces. Een middel, geen doel.

Waar dit toe leidt is goed te zien in het Foam-magazine #28 / Talent, dat geheel gewijd is aan het werk van jonge fotografen. Uit de achthonderd portfolio’s die vanuit alle delen van de wereld werden ingestuurd, selecteerde de redactie er vijftien. In hoeverre deze keuze representatief is voor het totale aanbod, kan ik uiteraard niet beoordelen. Ik ga ervan uit dat de jury zich niet door eigen voorkeuren heeft laten leiden maar met deze selectie wil laten zien wat er wereldwijd in de kunstfotografie gaande is.

Vuurvliegjes
Van de vijftien fotografen die zich presenteren, zijn er in mijn ogen drie die de fotografie nog in een min of meer pure vorm gebruiken. Zij nemen de kijker door middel van hun foto’s mee naar een bepaalde plaats en tonen zonder veel omhaal wat zij daar op zeker moment aantroffen. Katrien Vermeire laat bijvoorbeeld zien hoe vuurvliegjes in een Amerikaans bos hun wonderlijke dansen uitvoeren. Ook Mirko Martin voert ons naar Amerika. In Los Angeles fotografeerde hij straatscènes, waarbij hij in het midden laat of we naar het echte leven kijken of naar een filmset. Het meest traditioneel is Ivor Prickett. Hij toont andere, minder sensationele beelden van de revolutie in Egypte dan de tv-journaals ons dagelijks in het gezicht wierpen.

Het feit dat zij alle drie registrerend te werk gingen, wil niet zeggen dat hun foto’s onpersoonlijk of afstandelijk zijn. Of dat er geen onderliggend idee of concept is. Vermeire was het te doen om de haast ongrijpbare schoonheid van de dans van de vuurvliegjes, Martin speelt met de (on)betrouwbaarheid van het fotografisch beeld en Prickett laat zien hoe eenzijdig het beeld is dat we via de media krijgen van ingrijpende gebeurtenissen in de wereld; we zitten er met onze neus boven op, lijkt het, maar we weten eigenlijk nauwelijks wat er echt gebeurt.

Duistere portretten
De andere twaalf portfolio’s illustreren hoe fotografen het medium gebruiken om zichzelf te uiten of om formele thema’s of concepten uit te werken. Zo fotografeerde Fleur van Dodewaard ingenieuze constructies met ronde spiegels en kleurvlakken. Het leverde sterke, esthetische beelden op. Ester Vonplon koos juist voor groezelig, imperfect zwart-wit en roept daarmee een wereld op die ver af staat van de dagelijkse realiteit. Net als de zeer duistere portretten van Alessander Imbriaco. En de reeks vrijwel identieke zelfportretten van Renato Abreu laten een treurige jongeman zien, gehuld in steeds een andere fel gekleurde trui of jas. Een maffe serie over uiterlijk en innerlijk.

Ook in de andere acht portfolio’s is de fotografie ondergeschikt aan het idee, de emotie of het verhaal dat de fotograaf wil vertellen. Fotografie wordt niet gebruikt als venster op de wereld maar als middel om een eigen wereld te creëren. Blijkbaar spreekt deze toepassing van de fotografie steeds meer jonge fotografen aan. Opvallend is dat in het talent nummer van Foam-magazine van 2010 de verhouding tussen ‘pure’ fotografie en fotografie als ‘middel’ nog ongeveer fifty-fifty was.

Multidisciplinair
Hoe zou het komen dat jonge fotografen zich steeds minder aangetrokken voelen tot de klassieke, op registratie gerichte vorm van fotografie? Misschien komt het doordat fotografie binnen het domein van de beeldende kunst vaste voet aan de grond heeft gekregen. Jonge kunstenaars zijn vaak multidisciplinair. Ze kiezen het medium dat het meest geschikt is voor de uitwerking van een bepaald concept. Dat daarbij vaak naar een camera wordt gegrepen is niet vreemd. Fotografie is een relatief eenvoudige en voor elke beurs bereikbare techniek. Bovendien zijn de mogelijkheden in dit digitale tijdperk eindeloos. Het onderscheid tussen fotograaf en beeldend kunstenaar vervaagt.

In de meer traditionele fotografie treedt de fotograaf zelf niet op de voorgrond. Hij bemiddelt tussen de kijker en de wereld waarin wij leven. De klassieke fotograaf gaat schuil achter zijn camera, blijft buiten beeld. En dat is nu net wat de jonge kunstenaar/fotograaf niet wil. Die wil gehoord en gezien worden! En terecht.

Kunstkijken (foto Sietse Postma, 2012)

donderdag 1 december 2011

De foto’s waren niet slecht, maar kunst was het ook niet (vs. 2)


Zondagmiddag. De wanden van het kunstcentrum zijn gevuld met foto’s. De curator heeft z’n best gedaan en uiteenlopende toepassingen van het medium bij elkaar gebracht. Zo hangt er een serie close-ups van handen van hoogbejaarden. De zwart-wit prints geven een akelig scherp beeld van het vel over been. Daarnaast hangen vervreemdende fotomontages in onwerkelijke kleuren.

Verder zijn er foto’s die gemaakt lijken voor een gelikte brochure over wind- en zonne-energie. Ook hangt er een reeks esthetische beelden die zorgvuldig uit de dagelijkse realiteit zijn losgesneden. Verder zie ik foto’s van naakte mensen met een laken over hun hoofd, impressies van een Noord-Afrikaanse stad en een aantal ingelijste spreads uit een boek waarin zo te zien foto’s en tekst even belangrijk zijn. Een mooie mix dus.

Vanmiddag wordt de expositie afgesloten met een discussie. De gespreksleider is een oude rot uit het vak. De centrale vraag die hij voor deze gelegenheid uit de hoed tovert luidt: Is fotografie kunst? Hij geeft toe dat deze probleemstelling een enorme baard heeft, maar iets beters kon hij blijkbaar niet verzinnen. Een echte discussie wil het dan ook niet worden.

Breed scala
In de wereld van de beeldende kunst is fotografie als discipline volledig geaccepteerd. Daar hoeven we het niet meer over te hebben. Maar doordat fotografie zo’n breed scala aan toepassingen kent en we in ons dagelijks leven overspoeld worden door foto’s, is het misschien wèl interessant eens stil te staan bij de vraag welke foto’s wel en welke geen aanspraak kunnen maken op het etiket ‘kunst’.

‘Functionele fotografie’, d.w.z. foto’s die primair bedoeld zijn om iets te laten zien wat op dat moment niet fysiek aanwezig is, valt in principe niet onder de noemer beeldende kunst. Geen snapshots, vakantiekiekjes, pers- of productfoto’s dus. Wat in dit genre wèl kan, zijn interessante voorbeelden van reclame-, mode- en architectuurfotografie. Die kunnen onder de noemer ‘toegepaste kunst’ heel goed een plek krijgen in een museum voor beeldende kunst. Dat geldt ook documentaire fotografie.

Goede documentaire foto’s verwijzen niet alleen naar iets wat elders is of was, maar zijn ook als beeld de moeite waard. Bij voorbeeld door de persoonlijke aanpak van de fotograaf of de manier waarop hij met de mogelijkheden en beperkingen van het medium heeft gespeeld. Denk maar aan werk van fotografen als Cartier-Bresson, Martin Parr en Stephan Vanfleteren. Het is superieure fotografie maar daarmee nog geen autonome beeldende kunst. Hoe origineel ook, primair zijn het registraties, geen creaties.
           
Authentiek, origineel, conceptueel
Fotografie is per definitie gebonden aan de zichtbare werkelijkheid. De manier waarop de realiteit d.m.v. foto’s weergegeven kan worden, is uniek. Dat maakt fotografie tot een uitdagend en boeiend fenomeen. Bovendien is de sociale impact van fotografie enorm, zeker in onze beeldcultuur. Het is dus niet meer dan logisch dat er vandaag de dag zoveel aandacht wordt besteed aan fotografie. Nederland kent niet voor niets drie uitstekende musea voor fotografie, waar het hele scala (van 'carte de visite' tot kunstfoto) aan bod komt.

Ook in de wereld van de beeldende kunst is fotografie populair. Bij serieuze kunstfotografie gaat het echter niet primair om de verwijzing naar een werkelijkheid buiten de foto. Het beeld zelf staat centraal als uitdrukking van het idee of concept dat aan het werk ten grondslag ligt. Voor mij bepaalt de mate van autonomie van het beeld of aan een foto het label 'kunst' gehangen kan worden of niet. Ik geef toe dat dat geen spijkerhard criterium is. Het zegt ook niets over de kwaliteit van het kunstwerk.

Wat die zondagmiddag in het kunstcentrum aan de wand hing, was geen slechte fotografie. Maar kunst was het ook niet. Met uitzondering misschien van die rare gemanipuleerde foto’s. Ik vond ze niet mooi, maar de verontrustende beelden staan me nog steeds helder voor de geest.
 

 Registratie of concept?
foto Sietse Postma (2011)

maandag 10 oktober 2011

Mickey Mouse op oorlogspad

Een paar jaar geleden deed ik een workshop met als thema 'rafelranden'. De rommelige, non-descripte plekken in de periferie van de stad spraken me altijd al aan. Het leek me leuk om beelden te maken die in technisch opzicht aansloten bij de imperfectie die inherent is aan rafelranden. Daarom kocht ik voor € 2,99 een plastic camera en een paar belegen kleurenfilmpjes. 

De resultaten vielen niet tegen. De foto's waren alleen in het midden enigszins scherp, de kleuren waren vreemd en de plastic lens had zich geen raad geweten met tegenlicht. Verre van perfect dus. Vorm en inhoud versterkten elkaar. Hoewel ik het een geslaagd experiment vond, heb ik het cameraatje nadien nooit meer gebruikt. Zo'n 'special effect' is leuk voor één keer maar daarna wordt het een trucje dat snel  verveelt.

Hipstamatic
Het zal duidelijk zijn: een Hipstamatic app is aan mij niet besteed, ook al had ik een iPhone. De Hipstamatic-rage interesseerde me dan ook niet erg tot ik een poosje geleden in Vrij Nederland een fotodocument tegenkwam van Balasz Gardi. Deze Hongaarse oorlogsfotograaf werkt al tien jaar in Afghanistan. Vorig jaar volgde hij een groep Amerikaanse mariniers tijdens hun missie in de provincie Helmand. Gardi fotografeerde de soldaten, hun acties, het leven in hun compound en de Afghanen met wie ze te maken kregen. Dat deed hij met zijn iPhone in de Hipstamatic-modus.

foto Balasz Gardi
De foto's zijn totaal anders dan we bij dit soort reportages gewend zijn. Geen gedetailleerde digitale helderheid of 'klassiek' dramatisch zwartwit maar een beetje gruizige foto's met rare, vooral groene kleurzwemen. Het voedsel in de etensbakjes van de soldaten ziet er op de foto's van Gardi uit als bedorven kots. De scherpte is wel opvallend goed: de baardharen van een gevangen Afghaan kun je tellen. Om de foto's zit een polaroidachtig randje. 

Op de een of andere manier irriteerden deze foto's me.

Stof
In een interview in het online magazine WINk prijst Gardi de kwaliteit van de camera in de iPhone. Bovendien is hij zeer te spreken over de beschikbare applicaties. Daardoor zijn veel nabewerkingen overbodig. Hij vergelijkt het kiezen van een applicatie met de keuze voor een bepaalde film in het analoge tijdperk: "Every piece is carefully chosen to create ultimately the look I had in mind at the time of taking the photograph."

Ik geloof graag dat het fotograferen met een iPhone voordelen heeft (ongevoelig voor stof, lekker onopvallend en een prima beeldkwaliteit). Tot zover is er niets aan de hand. Maar wanneer de fotograaf besluit het apparaat in de Hispstamatic-modus te zetten bij het vastleggen van een militaire missie in Afghanistan, gaat er bij mij iets jeuken.

Hipstamatic-plaatjes worden geassocieerd met technisch slechte kleurenfoto's en speelgoedcamera's uit de jaren zeventig - of die associatie ergens op slaat, betwijfel ik, en met speelgoedcamera's kun je volgens mij geen foto's maken, maar dat terzijde. iPhone-bezitters gebruiken de Hipstamatic app om hun kiekjes een grappige effect mee te geven. Weer eens wat anders, zo'n imitatiepolaroid.

Conditionering
De in 1980 overleden Canadese media-filosoof Marshall McLuhan - beroemd geworden door uitspraken als 'the medium is the message' en 'the global village' - was van mening dat de technische middelen waarvan wij ons bedienen niet neutraal zijn en niet neutraal kúnnen zijn. "Wij scheppen onze media en vervolgens scheppen deze media ons". Technische middelen conditioneren ons begrip van de wereld. McLuhan was een visionair.

Dankzij de Hipstamatic ervaren we onze alledaagse sleur als grappig en nostalgisch. Maar dat niet alleen. Ook een uitzichtloze oorlog in een geteisterd land, waar geen weldenkend mens meer wil leven, ervaren we dankzij deze app als een niet-bestaande realiteit, een droomwereld in vreemde tinten, iets uit een andere, onschuldige tijd.

Een soort Disney World.



Rafelrand
De imperfectie van het beeld sloot mooi aan bij de sfeer van de plek.                        (foto Sietse Postma, 2007)




donderdag 12 mei 2011

Niks renaissance van de fotojournalistiek

De aankondiging van de expositie Antiphotojournalism in het Foam maakte me nieuwsgierig. "Net nu het bon ton is geworden om te roepen dat de fotojournalistiek dood is doen recente gebeurtenissen vermoeden dat er iets heel anders gaande is. De fotojournalistiek beleeft eerder een opmerkelijke en uiterst onverwachte renaissance. Nieuwe werkwijzen, strategieën, perspectieven, technieken en spelers zorgen voor radicale veranderingen binnen de fotojournalistieke praktijk. Deze nieuwe ontwikkelingen worden nu op een prikkelende manier in kaart gebracht met de groepstentoonstelling Antiphotojournalism." Dat wilde ik zien.

Na zo'n aankondiging verwachtte ik een actuele expositie, met lijnen naar de toekomst. Maar dat valt tegen. Wat ik in het Foam zie, zijn voornamelijk projecten die de afgelopen decennia zijn gerealiseerd. De bijdrage van Paul Fusco over de dood van Robert F. Kennedy is zelfs uit 1968! Ook het werk dat Susan Meiselas in de jaren negentig over de Koerden maakte, past niet bepaald in de categorie 'nieuwe strategieën en spelers'.

Spaans
De expositie is geproduceerd door La Virreina Centre de la Imatge, een cultureel instituut in Barcelona, Ik krijg de indruk dat het Foam de tentoonstelling klakkeloos heeft overgenomen, inclusief Engelstalige teksten en Spaanse ondertitels. De enige Nederlandse deelnemer is Kadir van Lohuizen met de serie Diamond Matters uit 2005. In deze serie volgt Van Lohuizen de route die diamanten afleggen van de Afrikaanse modder tot de decadente Londense jet set. Hij toont aan dat de diamanthandel bepaald geen 'fair trade' is.

Een vijftigtal foto's uit deze serie is tamelijk liefdeloos tegen de wand geplakt. Ze hangen in lange stroken onder elkaar. Het verhaal begint linksboven, vlak onder het plafond en eindigt rechtsonder op ooghoogte. Het is bijna ondoenlijk om de beelden stuk voor stuk de aandacht te geven die ze verdienen. De makers van deze expositie blijken sowieso graag wandvullend bezig te zijn. Heel decoratief allemaal. Maar een ramp voor de kijker. Een dieptepunt vind ik de zalen die behangen zijn met printjes uit het door Ariella Azoulay samengestelde 'archief' over zestig jaar Israëlische bezetting van de West Bank en de Gaza-strook. Wat moet ik met zo'n massa fotootjes en onleesbare teksten?

De serie Diamond Matters is een excellent voorbeeld van 'oude' fotojournalistiek en past met zijn fraaie zwart wit beelden naadloos in de traditie van geëngageerde documentaire fotografie. Onzin om dit werk te presenteren als illustratie van een 'onverwachte renaissance'. Waarom wordt er geen aandacht besteed aan Via PanAm, het project waar Van Lohuizen nu aan werkt? Dat laat goed zien hoe een fotojournalist vandaag de dag 'nieuwe strategieën en technieken' onderzoekt, inclusief app's voor de iPad! 

Uit de serie Diamond Matters (foto Kadir van Lohuizen)

















Motto
Als ik thuis de brochure die het Foam bij de expositie heeft gemaakt doorkijk, valt m'n oog op het motto op de eerste pagina. Het is een citaat uit een tekst uit 1999 van de Amerikaanse fotograaf Allan Sekula, een van de deelnemers aan de expositie: "The rule of thumb for this sort of anti-photojournalism: no flash, no telephoto zoom lens, no gas mask, no auti-focus, no press pass and no pressure te grab at all costs the one defining image of dramatic violence."

Nu valt het kwartje. Het gaat bij deze tentoonstelling dus helemaal niet om het signaleren van 'een opmerkelijke en uiterst onverwachte renaissance' van de fotojournalistiek. Dat heeft de PR-afdeling van het Foam ervan gemaakt. [Komt dat zien: RECENT, NIEUW, RADICAAL, PRIKKELEND!] Onzin, Antiphotojournalism is gewoon een kritische tegenhanger van World Press Photo en laat zien dat er al decennialang fotografen rondlopen die er niets voor voelen hun leven te riskeren voor een sensationele prent op de voorpagina, maar juist op zoek gaan naar de achterkant van het nieuws en daar op een ongebruikelijke manier verslag van doen.

Ik ga nog een keer kijken. En dan niet met de verwachting dat ik ooggetuige zal zijn van de wonderbaarlijke herrijzenis van de fotojournalistiek, maar wel om te zien hoe eigenzinnige fotojournalisten te werk gaan. Fotografen die niet verslaafd zijn aan de waanzin van de dag, voor wie de voorpagina niet het hoogst haalbare is en die maling hebben aan het circus van World Press Photo.

Wel jammer dat ik dan weer tegen dat fotobehang aan moet lijken.

Champs Elysées (foto Sietse Postma)


maandag 2 mei 2011

Een heel gedoe, zo'n interview

In de jaren negentig schreef ik recensies over beeldende kunst voor een regionale krant. Af en toe deed ik een interview. Zo'n vraaggesprek bereidde ik zorgvuldig voor. Gewapend met vragenlijst en blocnote nam dan ik plaats tegenover de man of vrouw die ik moest ondervragen. Vaak legde ik het gesprek ook vast op een cassettebandje. Dat had ik nodig voor het ontcijferen van de vellen vol haastig neergekrabbelde antwoorden. Zo'n interview was een heel gedoe.

Onlangs werd ik zelf geïnterviewd. Dat was in het kader van een serie artikeltjes over West-Friese kunstenaars in dezelfde krant als waarvoor ik vroeger m'n stukjes schreef. Op het afgesproken tijdstip verscheen een tenger meisje in de galerie waar ik op dat moment met twee collega-fotografen een expositie had. Na een uurtje foto's kijken en praten toverde ze een vragenlijstje tevoorschijn, keek er even op en sloot het interview af. Ze had ongeveer een half A5-je met aantekeningen. Tijd voor de foto.

[Toen ik zelf dit werk zelf nog deed, maakte ik daarvoor een afspraak met een echte persfotograaf, die dan tijdens het interview langskwam voor het maken van een fraai portret. Maar die fotograaf is al lang wegbezuinigd.]

Tevreden

De interviewster haalde haar spiegelreflex tevoorschijn en dirigeerde me een beetje giechelig naar een hoek van de galerie, zodat ik mooi voor m'n eigen foto's stond. Ze drukte een paar keer af – 'u kijkt een beetje streng' – deed een nieuwe poging en liet me het resultaat op het schermpje van de camera zien. We waren beiden tevreden.

We namen hartelijk afscheid. Ik hoefde het stukje voor publicatie niet te lezen, had ik gezegd. Toch was ik niet helemaal gerust op het resultaat. Ik hoopte maar dat ze een goed geheugen had, want van haar aantekeningen moest ze het niet hebben.

Een paar dagen later installeerde ik me op een terrasje met een exemplaar van de krant waarin het interview moest staan. Voordat ik aan de koffie begon bladerde ik hem door. Ik hoefde niet lang te zoeken. M'n kop knalde van de pagina. De redactie had de foto flink uitvergroot. Haarscherp grijnsde ik mezelf toe. Afgezien van een paar vage uitspraken en een verkeerd jaartal was het een aardig stukje. Opgelucht dronk ik mijn koffie.

's Middags kwam ik een buurvrouw tegen. 'Leuke foto!' riep ze toen ik voorbij fietste. Zo beleefde ook ik de spreekwoordelijke '15 minutes of fame'. Het werd tijd.

foto Faralda Houthuijsen

dinsdag 29 maart 2011

Met of zonder Amsterdammers

Het zaaltje in Fotomuseum Amsterdam (FOAM) is afgeladen. Ik zoek een veilige plek dicht bij de uitgang. In de verte stelt de wethouder van cultuur van Amsterdam, Carolien Gehrels, zich op achter de microfoon. Na een paar zinnen stokt haar praatje. De exposant, Dana Lixenberg, laat merken dat de wethouder slecht geïnformeerd is. Gehrels lost het soepeltjes op en nodigt Lixenberg uit dan zelf maar te vertellen hoe haar serie 'Set Amsterdam' tot stand is gekomen.
     De fotografe legt het uit maar vergeet de microfoon. Wat volgt is een onderonsje tussen Lixenberg en Gehrels. Alleen te verstaan door de mensen die vooraan staan. Geeft niks. We zijn hier niet voor het verhaal en eigenlijk ook niet voor de foto's. Met een paar obligate zinnen sluit de wethouder af. Beschaafd applaus. Nog even wat bedankjes en grappen. Dan is er drank en kan het netwerken beginnen.
     Ik ben niet zo'n party-tijger en ook niet erg thuis in de wereld van sterren en andere belangrijke mensen. Toch herken ik een paar acteurs en aanverwante types. Dat is niet zo verwonderlijk want de serie 'Set Amsterdam' heeft Lixenberg gemaakt naar aanleiding van de tv-serie 'Adam - E.V.A. (Amsterdam en vele anderen)' van de VPRO. Aanvankelijk zou ze alleen portretten maken van de acteurs. Maar de plekken waar de serie werd opgenomen, intrigeerden haar dermate, dat ze besloot daar een afzonderlijke serie van te maken. 

foto Dana Lixenberg
Event
Dana Lixenberg is een Nederlandse fotograaf die al jaren succes heeft in New York; Adam en E.V.A. is een populaire tv-serie van een omroep waarmee je als creatieve Amsterdammer voor de dag kunt komen; fotografie is trendy en het FOAM is 'cool'. Voeg daar nog wat geroutineerde PR aan toe en je hebt een 'event'. Dat wil zeggen: een massaal bezochte opening en grote stukken in dag- en weekbladen; Vrij Nederland pakte bijvoorbeeld uit met een fotodocument van acht pagina's.
     Een paar weken geleden ontving ik de uitnodiging voor deze expositie. Het zinnetje 'Kenmerkend voor de foto's (van Amsterdam) is de afwezigheid van mensen' maakte me nieuwsgierig. Ik houd namelijk erg van foto's zonder mensen. Zelf wacht ik ook meestal met het maken van een foto tot iedereen net kader heeft verlaten. Deze expositie wilde ik dus niet missen.
 
Registraties
Voordat de officiële opening plaatsvindt en het nog rustig is in het museum, maak ik een rondje langs de tot billboard-formaat opgeblazen kleurenfoto's. Het licht valt zoals het moet vallen. Alles staat op z'n plek. De scherpte is meedogenloos. De beelden laten niets te raden over. En inderdaad: geen mens te zien. Ik zie echter geen 'sporen van menselijke activiteit die een indicatie vormen van iemands persoonlijkheid en levenswijze', zoals de uitnodiging ook beloofde.
     Wat ik wel zie zijn cleane registraties van smakeloos ingerichte rouwkamers, de kantine van een sportclub met meubilair uit de kringloopwinkel, de ongezellige keukentafel van de familie Azim, een Jordaan-interieur vol poppen en prullen, de kamer van een budgethotel met volgekladde wanden … Het is wat je ziet. Niet meer en niet minder. Een en al cliché en ongelooflijk saai.

Nostalgie
Vlakbij het FOAM is nog een expositie met foto's over Amsterdam. Het Stadsarchief heeft 150 foto's gekozen uit de 250.000 beelden van Amsterdam die de collectie van het Maria Austria Instituut rijk is. Het zijn foto's uit de periode 1935 - 2005, gemaakt door bekende fotografen als Eva Besnyö, Carel Blazer, Paul Huf, Philip Mechanicus, Sem Presser en Kees Scherer.
     Heel veel nostalgisch zwartwit en heel veel gewone Amsterdammers. Plaatjes waar menige wat oudere Mokumer bij weg zal dromen. Ach, zo kneuterig hoeft het van mij nou ook weer niet. Maar in elk geval heel wat minder saai dan de pretentieuze prenten van Dana Lixenberg in het FOAM. 

foto Sietse Postma

dinsdag 14 december 2010

Verleden tijd, net als de postbode


Om een beetje 'bij' te blijven kijk ik geregeld op de site van de NOS. Het nieuws wordt daar vaak geïllustreerd met foto's die van flickr.com zijn geplukt. Dat gebeurde laatst ook met het bericht over de vrijlating van een 'internetvandaal' uit Hoogezand-Sappemeer. Daarbij stond een foto van Davide Restivo uit Zwitserland. Restivo is geen beroepsfotograaf. Hij verdient zijn brood in de ICT. Dat de NOS een foto van hem gebruikt, levert hem waarschijnlijk een paar tientjes op. Dat is leuk meegenomen maar een nieuwe lens kan hij er niet van kopen.

website NOS, maandag 13 december
Het is begrijpelijk dat de NOS gebruik maakt van zulke foto's. Ze zijn makkelijk te vinden, direct beschikbaar en technisch ok. De redactie had ook een foto kunnen zoeken in de beeldbank van een Nederlandse fotobureau als Hollandse Hoogte. Ik vermoed dat tussen de acht miljoen foto's die dit bureau in zijn digitale archief heeft, wel een interessanter beeld te vinden is dan de foto die Restivo maakte van een paar handen boven het toetsenbord van een laptop.

Hollandse Hoogte, dat dit jaar zijn 25-jarig jubileum viert, betrekt zijn foto's van professionele fotografen. En niet van de minste. Ondanks dat het bureau zijn prijzen de laatste jaren noodgedwongen drastisch heeft verlaagd, zal het qua prijs nooit met een Zwitserse amateur kunnen concurreren.

Broodroof
In fotobladen en op forums is de concurrentie tussen professionele fotografen en amateurs een hot-item. Sommige professionals hebben het zelfs over broodroof en verlangen van hun beroepsvereniging dat zij paal en perk stellen aan de activiteiten van de amateur-fotografen. Ik vind dat onzin.

Digitale fotografie en internet hebben de fotografie gedemocratiseerd. Voor weinig geld kun je kwalitatief goede foto's maken en deze via internet simpel en doeltreffend aanbieden en verspreiden. Het is logisch dat commerciële partijen daar gebruik van maken. Er blijkt veel behoefte aan goedkoop beeldmateriaal. Ik snap óók wel dat professionele fotografen zich kapot ergeren aan de visuele 'bagger' die als gevolg hiervan van beeldschermen en pagina's afdruipt. Maar deze 'bagger' voorziet blijkbaar in een behoefte. Als dat niet zo was, renden de opdrachtgevers wel weer naar de vakman om voor (veel) meer geld 'echte' foto's te laten maken.

Professionals die amateurs beschuldigen van broodroof steken hun kop in het zand. De professionele fotograaf kan zich alleen onderscheiden van de amateur door het leveren van meer kwaliteit. Als afnemers en gebruikers maling hebben aan kwaliteit, zullen ze er ook niet voor willen betalen. Het is zinloos iets aan te (blijven) bieden waar geen vraag naar is. Dat deel van de markt is verloren terrein. Jammer, maar niets aan te doen. Verleden tijd, net als de postbode.

De professional zal zich moeten richten op een markt waar kwaliteit nog wel een rol speelt. En daar gaat de strijd dus niet tussen beroeps en amateurs, maar tussen professionals onderling. Daar tellen vakmanschap, originaliteit, creativiteit en ondernemerschap. Die strijd is keihard, niet in de laatste plaats door de grote instroom van goed opgeleide, ambitieuze jonge fotografen. Amateurs hebben hier geen schijn van kans. Terecht.

foto Sietse Postma (Arles, 2010)


vrijdag 3 december 2010

Fotografie was nog nooit zo goedkoop

Dankzij de digitale revolutie hoeft fotografie vandaag de dag geen dure bezigheid te zijn. Eigenlijk heb je niet veel meer nodig dan een digitaal cameraatje, een computer met een eenvoudig beeldbewerkingsprogramma en een internetverbinding. Niets staat je dan nog in de weg om de mooiste foto's te maken en ze via het net aan de hele wereld te laten zien. Fotografie is nog nooit zo makkelijk geweest. En zo goedkoop!
     Het gevolg laat zich raden: iedereen fotografeert zich suf. Een niet onaanzienlijk deel van al die foto's die worden gemaakt, komt op internet terecht. Op flickr.com worden onder het motto 'Share your photo's. Watch the world' elke minuut vijf- à zesduizend foto's en video's gepost. Met zo'n immens reservoir aan beeldmateriaal heb je zelfs geen camera meer nodig. Elke foto die je kunt verzinnen, vind je op internet. Klik! Fotograferen met de muis.

Foto's van de straat
Joachim Schmid,
Bilder von der Strasse
Het is in kunstkringen al een tijdje populair om met 'gevonden' beeldmateriaal te werken. De Duitse fotograaf Joachim Schmid is er wereldberoemd mee geworden. Zijn project Bilder von der Strasse loopt al sinds 1982. In Nederland publiceert KesselsKramer sinds 2001 het magazine Useful Photography. Het als boekwerk uitgevoerde periodiek staat vol zorgvuldig geselecteerde en gepresenteerde 'gevonden' foto's. Aanvankelijk werd er voor dit soort publicaties driftig geknipt uit kranten, tijdschriften, catalogi etc. Tegenwoordig is internet de onuitputtelijke bron.
     Wie als kunstenaar aan de slag gaat met 'gevonden' materiaal, kan het verwijt krijgen plagiaat te plegen of niet origineel te zijn. Dat overkwam ook Dada-kunstenaar Marcel Duchamp toen hij in 1917 (!) een porseleinen urinoir inleverde voor een expositie. De selectiecommissie oordeelde dat de pisbak, ondanks de signatuur 'R. Mutt 1917' en het feit dat het ding op zijn kant lag, plagiaat was. Het was gewoon een 'plain piece of plumbing', vond men.
     Duchamp antwoordde: "Whether Mr. Mutt with his own hands made the fountain or not, has no importance. He CHOOSE it. He took an ordinary article of life, placed it so that its useful significance disappeared under the new title and point of view – created a new thought for that object. As for plumbing, that is absurd." Voor Marcel Duchamp heeft het ambachtelijke in de kunst afgedaan. Voor hem gaat het in de kunst niet langer om het maken maar om het kiezen en om het creëren van een nieuwe visie. Het accent verschuift van materieel naar conceptueel.

Geniaal
Het is grappig om te zien dat zich bijna honderd jaar later in de fotografie iets vergelijkbaars voordoet. Sommige fotografen maken zelf geen foto's meer. Zij maken dankbaar gebruik van de mega-grote beeldbank die dankzij een anonieme massa kiekjesmakers en broodfotografen op internet beschikbaar is. Hieruit kiezen zij de foto's die zij nodig hebben voor het verbeelden van hun idee, van het concept. Dat die foto's technisch en/of esthetisch doorgaans verre van perfect zijn, is geen probleem. Het gaat om het concept, niet om de foto.
     Het is een nieuwe vorm van fotokunst, die om een andere benadering vraagt dan de fotografie die we doorgaans in (foto)musea tegenkomen. Tot nu toe was de visuele kwaliteit van het beeld minstens zo belangrijk als de achterliggende thematiek. Gebruik van licht en kleur, kader en compositie, de kwaliteit van de afdruk en de presentatie, allemaal factoren die bepalend waren voor de impact van en de waardering voor de foto.
     In de nieuwe fotokunst is esthetiek van ondergeschikt belang. We moeten het doen met lelijke plaatjes als illustratie van een concept. En nu maar hopen dat het concept geniaal is. Dan valt er tenminste nog iets te genieten.

zondag 31 oktober 2010

Een jongeman kijkt nors in de lens

Op het perron hangt een poster van G-star met een opvallende zwart-wit foto. Er is niet veel meer te zien dan een nors in de lens kijkende jongeman. De achtergrond is vrijwel egaal grijs. De mode waarvoor reclame wordt gemaakt interesseert me niet. Toch trekt het beeld mijn aandacht en ik kijk wat langer. Dan zie ik dat links onderin de naam van de fotograaf staat: Anton Corbijn.
    Die toevoeging is opmerkelijk want het komt niet zo vaak voor dat reclamefoto's ‘gesigneerd’ zijn. Zulke foto’s moeten immers effectief zijn in het promoten en positioneren van een merk. Het ego van de fotograaf is daarbij van ondergeschikt belang. Bij Corbijn ligt dat anders. Hij is zelf een sterk merk. Zijn naam en faam geven het modemerk extra glans.
    Anton Corbijn (1955) is een beroemdheid in de wereld van de pop en daarbuiten. Hij is niet alleen al decennia lang de hoffotograaf van U2 maar heeft ook tal van andere 'celebreties' gefotografeerd. Zijn carrière begon in 1972. Met de camera van zijn vader maakte hij in de Oosterpoort in Groningen foto's van een optreden van de band Solution. Hij stuurde ze naar het blad Muziek Parade, die de foto's tot zijn verbazing publiceerde. Zo begon een indrukwekkende carrière als fotograaf, grafisch ontwerper, regisseur van videoclips en ontwerper van decors voor popconcerten. En ondanks zijn immense succes komt hij in documentaires en interviews nog steeds over als dezelfde aardige en bescheiden domineeszoon uit Strijen.

Icoon
Miles Davis
Corbijn heeft foto's gemaakt die nu al tot de iconen van de fotografiegeschiedenis gerekend worden. Zo kom je zijn zwart-wit portret van Miles Davis in menig overzicht tegen. Toch ben ik niet zo'n grote fan van Corbijn. Dat is een kwestie van smaak en zegt natuurlijk niks over de kwaliteit van zijn foto's. Die moet wel goed zijn. Hoe kun anders verklaren dat hij internationaal een van de succesvolste Nederlandse fotografen is. Kijk maar even op zijn site in de rubriek ‘works’ en je ziet dat ik niet overdrijf.
    Sinds een paar jaar maakt Corbijn ook speelfilms. De eerste was Control, een film over het korte, dramatische leven van Ian Curtis, de zanger van de Engelse band Joy Division. De film kreeg in 2007 verschillende prijzen bij het festival in Cannes. Geen slechte start dus. 
    Ik heb de film twee keer gezien. De eerste keer in de bioscoop. Ik was onder de indruk van de strakke zwart-wit beelden, die perfect aansluiten bij de deprimerende omgeving waarin Curtis opgroeit, zijn eerste baantje heeft, trouwt en na een kortstondige carrière als popartiest een einde aan zijn leven maakt. Later bekeek ik de film nog eens op video. De beelden en de muziek boeiden me nog steeds. Maar het verhaal en de manier waarop dit filmisch werd verteld, bleken toch wel wat magertjes. 

Mooie plaatjes
George Clooney in actie
Kort geleden zag ik de tweede speelfilm van Corbijn: The American. In een interview vertelt Corbijn dat hij persé een totaal andere film wilde maken dan Control. Uit alles wat hem aangeboden werd koos hij voor de verfilming van de roman A Very Private Gentleman van de Engelse schrijver Martin Booth. Het is inderdaad een heel wat anders geworden: een 'hardboiled' gangsterfilm, in prachtige kleuren gedraaid in een pittoresk bergdorp in Italië met oogverblindend mooie dames en George Clooney als introverte moordenaar.
    Net als in Control zijn de beelden perfect. Maar het voortreffelijke camerawerk kan niet verhullen dat het verhaal volkomen flut is. Mooie plaatjes, sterk acteerwerk, blote billen en borsten, een sensationele achtervolging, een innemende dorpspastoor en spattend bloed, het helpt allemaal geen zier. De film raakt geen enkele snaar. De plot is zelfs voor dit genre te onbeduidend en te ongeloofwaardig. De slotscène is ronduit tenenkrommend. The American is een irritante kitschfilm. En dat is geen kwestie van smaak. 

Ik hoop dat Corbijn de kans krijgt nog een derde speelfilm te maken. Maar dan wel met een goed scenario graag. Want het is een aardige man en een goeie fotograaf.
Parijs, mei 2010 (foto Sietse Postma)